ECLI:NL:PHR:2001:AB1518
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en vermindering wederrechtelijk verkregen voordeel bij ontnemingsmaatregel
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem vastgesteld dat de verzoeker een wederrechtelijk voordeel heeft genoten en hem ter ontneming daarvan een betalingsverplichting aan de Staat is opgelegd. De verzoeker stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, met name gericht op het niet in mindering brengen van proceskosten die aan een benadeelde derde waren toegekend.
De Hoge Raad overweegt dat de wetgever heeft beoogd de belangen van benadeelde derden te beschermen door bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook rekening te houden met onherroepelijke vorderingen van die derden, inclusief wettelijke rente en proceskosten. Het hof had echter ten onrechte de proceskosten niet in mindering gebracht omdat het deze niet als kosten voor het plegen van het feit beschouwde.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het betreft de vaststelling van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de daaraan verbonden betalingsverplichting, en stelt het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting vast. Daarnaast wijst de Hoge Raad het beroep op schending van het recht op een eerlijk proces af wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
De zaak wordt op de voet van art. 440 Sv Pro door de Hoge Raad zelf afgedaan, waarbij het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op ƒ 31.052,32 wordt gesteld, de betalingsverplichting op ƒ 29.500,= en de duur van vervangende hechtenis op 140 dagen.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op ƒ 31.052,32 en legt een betalingsverplichting van ƒ 29.500,= met 140 dagen vervangende hechtenis op.