ECLI:NL:PHR:2001:AB1598

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02974/00 B
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:86 BWArt. 310 SrArt. 326 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking van het revindicatierecht bij diefstal en oplichting volgens artikel 3:86 BW

In deze zaak gaat het om de uitleg van artikel 3:86 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek, dat de oorspronkelijke eigenaar van een roerende zaak die het bezit door diefstal heeft verloren binnen drie jaar het eigendom kan opeisen. De vraag is of het begrip diefstal in dit artikel beperkt is tot de strafrechtelijke definitie van diefstal zoals bedoeld in artikel 310 Sr Pro.

De rechtbank te Roermond had een klaagschrift van verzoeker tot teruggave van een inbeslaggenomen tractor ongegrond verklaard, omdat zij oordeelde dat de oorspronkelijke eigenaar een beter recht had dan de verkrijger te goeder trouw. Verzoeker stelde dat de tractor niet door diefstal, maar door oplichting was verloren, waardoor artikel 3:86 BW Pro niet van toepassing zou zijn.

De Hoge Raad stelt dat de bedoeling van de wetgever met artikel 3:86 lid 3 BW Pro is gericht op misdaadbestrijding en dat het begrip diefstal niet strikt beperkt moet worden tot strafrechtelijke diefstal. Ook verwante strafbare feiten zoals oplichting, waarbij sprake is van wederrechtelijke toe-eigening, vallen hieronder. Hierdoor kan de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendom opeisen, ook als het bezit door oplichting is verloren.

De conclusie van de Hoge Raad leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing naar het gerechtshof. Hiermee wordt bevestigd dat het revindicatierecht van de oorspronkelijke eigenaar breder is dan alleen bij diefstal in strafrechtelijke zin.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug, waarbij het begrip diefstal in artikel 3:86 lid 3 BW ook oplichting omvat.

Conclusie

Nr. 02974/00
Mr Machielse
Parket, 6 maart 2001
Conclusie inzake:
[Verzoeker=klager]
Edelhoogachtbaar College,
1. De rechtbank te Roermond heeft op 11 januari 2000 het klaagschrift van verzoeker tot teruggave aan hemvan een inbeslaggenomen tractor, merk John Deere, type 6410, ongegrond verklaard.
2. Mr. W.V. Gerretschen, advocaat te Roermond, heeft cassatie ingesteld. Mr. F.J.B. de Jong, advocaat te Assen, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3. Verzoeker stelde in zijn klaagschrift verkrijger te goeder trouw te zijn van de tractor. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat de gedupeerde [..] de tractor niet door diefstal is verloren, weshalve art. 3:86 BW Pro toepassing zou missen. De rechtbank heeft besloten de tractor terug te geven aan [de gedupeerde] omdat deze een beter recht zou hebben dan verzoeker. De rechtbank heeft daartoe in haar beschikking het volgende overwogen:
Artikel 3:86, lid 1 BW beschermt de verkrijger om baat die te goeder trouw is tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder.
Het derde lid van artikel 3:86 BW Pro maakt hierop in zoverre een uitzondering, dat de oorspronkelijke eigenaar van een roerende zaak, die het bezit van die zaak door diefstal heeft verloren, binnen drie jaar zijn eigendom kan opeisen.
De vraag waar het in deze zaak om gaat is of het begrip diefstal in artikel 3:86, lid 3 BW zich beperkt tot diefstal zoals bedoeld in artikel 310 wetboek Pro van strafrecht.
Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3:86 BW Pro blijkt dat het revindicatierecht van de oorspronkelijke eigenaar berust op de gedachte van misdaadbestrijding (Invoering boeken 3, 5 en 6, blz 1220). Reeds eerder, toen in het ontwerp nog een terugkooprecht van de oorspronkelijke eigenaar was opgenomen, werd de rechtvaardiging vooral gezocht in de belangen van degene die buiten zijn schuld, bijvoorbeeld door diefstal of verduistering, zijn goed verliest (tap pag 1209). Bij de parlementaire behandeling werd door de heer Van der Burg opgemerkt: de bescherming van de verkrijger te goeder trouw kent haar grenzen waar deze zou uitlokken tot misdaad. De minister stemt opvolgend -verheugd- met deze zienswijze in (tap pag 1227).
Tegen de achtergrond van de bedoeling van de wetgever ten aanzien van het derde lid van artikel 3:86, de misdaadbestrijding, valt niet goed in te zien dat dit alleen beperkt zou dienen te zijn tot diefstal in strafrechtelijke zin en zich niet zou uitstrekken tot verwante bedrogsdelicten als oplichting en flessentrekkerij. In de onderhavige zaak is sprake van oplichting, waarbij bij de dader van den beginne af aan het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft bestaan.
Het vorengaande brengt met zich mede dat gezien de bedoeling van de wetgever en het systeem der wet artikel 3:86 derde Pro lid BW de oorspronkelijke eigenaar een beter recht heeft dan klager, weshalve het klaagschrift ongegrond zal worden verklaard.
4. Het middel klaagt dat de rechtbank aldus art. 386 BW Pro verkeerd heeft uitgelegd omdat onder bezitsverlies door diefstal niet iedere andere vorm van bezitsverlies door een strafbaar feit, bijvoorbeeld oplichting, is te rangschikken. Het middel doet daartoe een beroep op HR NJ 2000,36. De Hoge Raad overwoog in die beschikking:
3.2. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de onder klager inbeslaggenomen auto in eigendom toebehoorde aan Automobielmaatschappij X en dat deze aangifte heeft gedaan van verduistering daarvan. Onder deze omstandigheden is - gelet op de bescherming die art. 3:86, derde lid, BW slechts ingeval van diefstal biedt aan de eigenaar van een roerende zaak - zonder nadere toelichting, die in de bestreden beschikking evenwel ontbreekt, niet begrijpelijk haar oordeel dat teruggave van de auto aan klager "wegens het betere recht" van voormelde BV "niet op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk verantwoord is".
5. Mijn ambtgenoot mr Fokkens had in zijn conclusie verwezen naar litteratuur, rechtspraak en wetsgeschiedenis, ten betoge dat de term 'diefstal' in art. 3:86 BW Pro strikt moet worden uitgelegd. Ik voeg in alle bescheidenheid aan de argumenten van mr Fokkens nog toe dat de Minister van justitie in een brief van 21 mei 1985 beklemtoonde dat het voorstel beperkt moest worden tot gestolen zaken, waarbij het aspect van criminaliteitsbestrijding zwaarder weegt dan in de gevallen waarin een onbevoegd vervreemde zaak in handen van een verkrijger te goeder trouw is gekomen.(1) Dat laatste is begrijpelijk omdat de gedupeerde bij diefstal vaak geen aanknopingspunt heeft voor opsporing van het hem ontstolene, terwijl bij verduistering en oplichting een gerichter zoeken mogelijk is.
De slotsom van de rechtbank dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de oorspronkelijke eigenaar een beter recht toe te kennen dan de verkrijger te goeder trouw is dus te ruim; die slotsom gaat enkel op voor de bestolen eigenaar.
Daarom is de beslissing van de rechtbank onjuist.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Parlementaire geschiedenis, Invoering boeken 3, 5 en 6, Studenteneditie, p. 115.