ECLI:NL:PHR:2001:AB1763
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij vrijspraak en softdrugshandel
In deze zaak stond de vraag centraal of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan plaatsvinden wanneer de verdachte is vrijgesproken van het onderliggende misdrijf, maar wel veroordeeld voor een ander strafbaar feit. De Hoge Raad bevestigt dat op grond van artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafrecht, ontneming ook kan plaatsvinden zonder dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk is gesteld voor alle feiten die tot het voordeel hebben geleid.
De zaak betrof een verdachte die was vrijgesproken van hasjhandel maar veroordeeld wegens het bezit van hennep. Het hof had de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering voor zover die betrekking had op feiten waarvoor de verdachte was vrijgesproken. De advocaat-generaal stelde cassatie in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad overwoog dat het hof ten onrechte het ontnemingsrecht beperkt had door te eisen dat de verdachte strafrechtelijk schuldig moest zijn aan alle feiten die tot het voordeel hebben geleid. Ook werd geoordeeld dat het hof onterecht had volstaan met toetsing aan landelijke richtlijnen zonder het lokale beleid te betrekken bij de beoordeling van de verkoop van softdrugs in een coffeeshop.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden beslissing en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Hiermee werd bevestigd dat het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel niet in strijd is met het onschuldpresumptiebeginsel, ook als sprake is van vrijspraak van bepaalde feiten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beslissing en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling van de ontnemingsvordering.