ECLI:NL:PHR:2001:AB2018
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van de rechter bij vordering tot schadevergoeding wegens overlijden werknemer
De zaak betreft een vordering van de weduwe van een overleden werknemer tegen diens werkgever, Jemo Metaal B.V., tot schadevergoeding wegens het overlijden van haar man als gevolg van een arbeidsongeval. De weduwe stelde dat zij levensonderhoud dert en vorderde een bedrag van f 244.233 vanaf 1 januari 1990. Jemo stelde zich primair op het standpunt dat de vordering verjaard was en betwistte aansprakelijkheid en hoogte van de schade.
De Rechtbank verwierp het beroep op verjaring en oordeelde dat bewuste roekeloosheid niet kon worden aangenomen. Jemo stelde hoger beroep in, maar werd door het Hof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard omdat de vordering volgens het hof tot de bevoegdheid van de Kantonrechter behoort. Het hof bepaalde dat cassatieberoep slechts tegelijk met de einduitspraak kon worden ingesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte Jemo niet-ontvankelijk had verklaard in hoger beroep en dat de regel dat cassatie slechts tegelijk met de einduitspraak kan worden ingesteld niet van toepassing is op einduitspraken. Verder werd bevestigd dat de vordering van de weduwe tot schadevergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst onder de bevoegdheid van de Kantonrechter valt. De conclusie van de advocaat-generaal was dat het cassatiemiddel moet worden verworpen.
Uitkomst: Het hof heeft ten onrechte Jemo niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en cassatieberoep is direct mogelijk; de vordering behoort tot de bevoegdheid van de Kantonrechter.