ECLI:NL:PHR:2001:AB2022
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over nietigheid samenwerkingsovereenkomst en gemeentelijk voorkeursrecht
De zaak betreft een geschil tussen de gemeente Duiven en particuliere grondeigenaren over de nietigheid van samenwerkingsovereenkomsten die de grondeigenaren met derden sloten met betrekking tot een perceel waarop de gemeente een voorkeursrecht heeft. De gemeente vorderde vernietiging van deze overeenkomsten op grond van artikel 26 van Pro de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg).
De Rechtbank wees het verzoek van de gemeente af, stellende dat de samenwerkingsovereenkomst niet duidelijk de voorkeurspositie van de gemeente aantastte en dat de gemeente onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de prijsstelling de realisering van het plan in gevaar zou brengen. Het Hof vernietigde deze uitspraak en vernietigde de samenwerkingsovereenkomst, stellende dat de overeenkomst feitelijk neerkwam op een vervreemding zonder dat de gemeente eerst de mogelijkheid had gekregen om de grond te verwerven, waardoor de belangen van de gemeente werden geschaad.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had door niet te beoordelen of de gemeentelijke regiefunctie daadwerkelijk werd aangetast en of de tijdige bestemmingsverwezenlijking werd gefrustreerd. De Hoge Raad benadrukte dat het gemeentelijk voorkeursrecht mede dient ter ondersteuning van de regiefunctie van de gemeente bij ruimtelijke ordening en dat vernietiging van overeenkomsten alleen gerechtvaardigd is indien deze regiefunctie wordt geschaad en de gemeente niet zonder goede grond heeft geweigerd mee te werken aan de realisering van de bestemming.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beoordeling, waarbij partijen de gelegenheid krijgen hun standpunten aan te passen. Tevens gaf de Hoge Raad een uitgebreide interpretatie van de termijn van acht weken waarbinnen de gemeente een verzoek tot nietigverklaring moet indienen, waarbij het aanvangsmoment wordt gekoppeld aan het moment waarop de gemeente redelijkerwijs bekend kan zijn met de essentialia van de rechtshandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Arnhem en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met nadruk op de regiefunctie van de gemeente.