ECLI:NL:PHR:2001:AB2753
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot afdracht neveninkomsten tijdens non-actiefstelling in onderwijsarbeidsovereenkomst
Deze zaak betreft de vraag of een werknemer die op non-actief is gesteld met behoud van salaris, verplicht is neveninkomsten die hij tijdens deze periode verwerft af te dragen aan zijn werkgever op grond van art. I-Q512 van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO).
De werknemer, voorzitter van het College van Bestuur van een hogeschool, was vanaf juni 1991 feitelijk niet meer werkzaam maar bleef formeel in dienst met behoud van salaris tot aan zijn VUT-regeling. Hij verrichtte nevenwerkzaamheden als voorzitter van een waterschap en ontving daarvoor een salaris. De hogeschool vorderde afdracht van deze neveninkomsten op grond van het RpbO, hetgeen door de lagere rechters werd toegewezen.
De Hoge Raad stelt dat het begrip 'werktijd' in art. I-Q512 RpbO niet zonder meer kan worden toegepast op de situatie waarin de werknemer feitelijk geen hoofdwerkzaamheden meer verricht. De uitleg van het begrip 'nevenwerkzaamheden' vereist een afweging van alle omstandigheden van het geval. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak voor verdere beoordeling terug naar het hof Den Haag, met name over de vraag of de afdrachtplicht in deze situatie redelijk is.
Daarnaast wordt besproken dat het bevoegd gezag beleidsvrijheid heeft bij het verlenen van ontheffing van de afdrachtplicht, waarbij redelijkheid en billijkheid grenzen stellen. De werknemer heeft onvoldoende gesteld om toetsing van het besluit van de hogeschool om geen ontheffing te verlenen mogelijk te maken. De zaak zal na verwijzing ook de subsidiaire gronden van dwaling en onvoorziene omstandigheden moeten betrekken.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het hof voor nadere beoordeling van de afdrachtplicht van neveninkomsten.