ECLI:NL:PHR:2001:AB2789
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over discriminatie en verjaring vaderschapsactie in Antilliaans familierecht
In deze zaak stond centraal de vraag of de verjaringstermijn van vijf jaar voor het instellen van een vaderschapsactie, zoals opgenomen in artikel 479 lid 2 van Pro het oude Antilliaanse Burgerlijk Wetboek (NABW), in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De vrouw vorderde onderhoud van de man als vermeende vader van haar kind, maar de man beriep zich op verjaring.
De rechtbank verwierp het beroep op verjaring en stelde vast dat artikel 479 lid 2 NABW Pro een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling inhoudt tussen kinderen die binnen het huwelijk zijn geboren of erkend en buitenhuwelijkse niet-erkende kinderen. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat deze verjaringstermijn onverenigbaar is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro. De Hoge Raad bevestigde dit standpunt en overwoog dat de maatschappelijke inzichten en technische mogelijkheden, zoals DNA-onderzoek, de rechtvaardiging voor een kortere verjaringstermijn voor niet-erkende kinderen ontzenuwen.
De Hoge Raad besprak tevens eerdere jurisprudentie, waaronder een arrest uit 1995 waarin een dergelijke verjaringstermijn nog werd geaccepteerd, en legde uit dat sindsdien de omstandigheden zijn gewijzigd. Ook werd gewezen op relevante uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die een zeer zwaarwegende rechtvaardiging vereisen voor onderscheid op grond van geboorte. De conclusie van de Hoge Raad was dat de verjaringstermijn wegens strijd met artikel 26 IVBPR Pro buiten toepassing moet blijven in de onderhavige zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn van vijf jaar voor vaderschapsacties in het Antilliaanse recht discriminerend is en buiten toepassing blijft.