ECLI:NL:PHR:2001:AB2800
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding volgens artikel 588 lid 3 onder c Sv
In deze zaak is de vraag aan de orde gesteld of de uitreiking van de appeldagvaarding aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar het gerechtshof is gevestigd, in overeenstemming is met artikel 588 lid 3 onder Pro c van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld voor verduistering en stelde in cassatie dat de betekening van de appeldagvaarding nietig was omdat deze niet was uitgereikt aan de griffier van de rechtbank waar de zaak in eerste aanleg was behandeld.
De Hoge Raad bespreekt de wetsgeschiedenis en de bedoeling van artikel 588 lid 3 onder Pro c Sv. Uit de parlementaire stukken blijkt dat de wetgever heeft beoogd om betekeningen bij één griffie te concentreren om de procedure te vereenvoudigen en efficiënter te maken. Dit betekent dat de appeldagvaarding aan de griffier van de rechtbank in het ressort waar het gerechtshof is gevestigd, kan worden uitgereikt.
De Hoge Raad stelt vast dat de uitreiking in deze zaak aan de griffier van de rechtbank te Arnhem heeft plaatsgevonden, terwijl de zaak in eerste aanleg in Zutphen werd behandeld. Dit is volgens de Hoge Raad niet in strijd met artikel 588 lid 3 onder Pro c Sv. Bovendien is niet gesteld dat de belangen van de verdachte door deze wijze van betekening zijn geschaad. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
De Hoge Raad benadrukt dat artikel 590 Sv Pro weliswaar de mogelijkheid biedt om een betekening nietig te verklaren bij niet-naleving van artikel 588 Sv Pro, maar dat dit geen absolute nietigheid inhoudt. In dit geval is geen reden gevonden om de bestreden uitspraak te vernietigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitreiking van de appeldagvaarding aan de griffier van de rechtbank waar het hof is gevestigd, is rechtsgeldig verklaard.