ECLI:NL:PHR:2001:AB3128
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens onthouden van noodzakelijke verzorging aan dieren en verbeurdverklaring van opbrengst
Verzoeker is door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens het onthouden van noodzakelijke verzorging aan dieren, met een straf van honderd uur onbetaalde arbeid en twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, inclusief een bijzondere voorwaarde dat hij geen dieren mag houden voor bedrijfsuitoefening gedurende de proeftijd.
De zaak betreft dieren die in april 1998 in beslag zijn genomen vanwege hun slechte verzorging. Het Hof verklaarde verzoeker vrij van het primair tenlastegelegde artikel 36 Gezondheids Pro- en welzijnswet voor dieren, maar veroordeelde hem op grond van artikel 37 van Pro die wet. Tevens werd een deel van de opbrengst van de verkoop van de dieren teruggegeven aan verzoeker, terwijl het restant werd verbeurd verklaard.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht de strafoplegging motiveerde gezien de herhaalde veroordelingen en de slechte staat van de dieren. Wel constateert de Hoge Raad dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ook dieren die niet onder de bewezenverklaring vielen, zijn betrokken bij de verbeurdverklaring. Tevens is het onduidelijk of het Hof de juiste wettelijke grondslagen heeft toegepast voor de teruggave en verbeurdverklaring van de opbrengsten.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor hernieuwde beoordeling, terwijl het beroep op andere punten wordt verworpen.
Uitkomst: De strafoplegging wordt bevestigd maar het vonnis wordt deels vernietigd en verwezen voor hernieuwde beoordeling van de strafoplegging en verbeurdverklaring.