ECLI:NL:PHR:2001:AB3325
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitlevering op basis van territorialiteitsbeginsel en weigert schending EVRM-rechten
In deze zaak heeft de rechtbank te Haarlem op 2 januari 2001 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard voor strafbare feiten zoals omschreven in de vervangende aanklacht van de Grand Jury van de United States District Court Eastern District te New York.
De verdediging stelde drie middelen van cassatie voor, waaronder dat de stukken onvoldoende waren met betrekking tot de rechtsmacht van de Verenigde Staten over feiten buiten hun grondgebied, dat de behandeling van het uitleveringsverzoek had moeten worden aangehouden voor aanvullende stukken over infiltratie en undercoveroperaties, en dat de rechtbank had verzuimd te beslissen op een verzoek tot aanhouding van de behandeling.
De Hoge Raad oordeelde dat de stukken voldoende waren, mede omdat de Verenigde Staten hun rechtsmacht baseren op het territorialiteitsbeginsel, waarbij ook strafbare feiten die deels in de Verenigde Staten zijn gepleegd, onder hun jurisdictie vallen. Tevens werd geoordeeld dat mogelijke schendingen van artikel 6 EVRM Pro niet aannemelijk waren gemaakt en dat dergelijke verweren in de Verenigde Staten zelf moeten worden gevoerd. Het verzoek tot aanhouding werd terecht afgewezen en het verzuim van de rechtbank om op een verzoek te beslissen leidde niet tot vernietiging.
De Hoge Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is en verwierp het cassatieberoep, waarmee de uitlevering juridisch werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toelaatbaarheid van de uitlevering aan de Verenigde Staten.