ECLI:NL:PHR:2001:AD2657
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid provincie tot vervroegde verkoop autowrakken onder bestuursdwang
In deze zaak vordert de provincie Utrecht de kosten te verhalen van bestuursdwang die zij heeft uitgeoefend door 1130 autowrakken te verwijderen van het terrein van eiser. De rechtbank en het hof hebben de vordering van de provincie toegewezen. Het geschil in cassatie betreft de vraag of de provincie bevoegd was om de autowrakken binnen twee weken te verkopen, terwijl artikel 131 lid 1 van Pro de oude Provinciewet een termijn van drie maanden voorschrijft.
Het hof oordeelde dat de provincie redelijkerwijs kon aannemen dat de opslagkosten van de wrakken hoog waren en dat de wrakken milieugevaarlijke stoffen bevatten zoals motorolie, accuzuur en asbest remvoeringen, waardoor een milieuhygiënisch verantwoorde opslag niet mogelijk was. Hierdoor was de termijn van drie maanden niet van toepassing en kon de provincie de wrakken vervroegd verkopen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep van eiser af. De Hoge Raad benadrukt dat de provincie op grond van artikel 131 lid 1 van Pro de oude Provinciewet en artikel 18.8 van de Wet milieubeheer bevoegd was tot onverwijlde verkoop van gevaarlijke stoffen. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden door het niet in acht nemen van de termijn.
De conclusie van de advocaat-generaal is dat het beroep moet worden verworpen. Het artikel 131 van Pro de Provinciewet is later vervallen verklaard, maar dat doet niet af aan de beoordeling van het onderhavige geschil.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de provincie bevoegd was om de autowrakken binnen twee weken te verkopen en wijst het cassatieberoep af.