ECLI:NL:PHR:2001:AD3249
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling uitlevering ondanks vermeende schending verdedigingsrechten bij verstekvonnis in België
De arrondissementsrechtbank Rotterdam verklaarde de uitlevering van verzoeker aan België toelaatbaar voor vervolging van bepaalde feiten, maar wees uitlevering af voor andere feiten. Verzoeker stelde cassatiemiddelen in tegen deze beslissing, stellende dat zij door een beroepsfout van haar voormalige raadsman niet in staat was haar verdedigingsrechten uit artikel 6 EVRM Pro uit te oefenen, omdat zij ten onrechte hoger beroep instelde in plaats van verzet.
De rechtbank oordeelde dat België als partij bij het EVRM geacht mag worden de rechten van verzoeker te respecteren en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de Belgische rechter in flagrante strijd met artikel 6 EVRM Pro zal beslissen. De Hoge Raad bevestigt dat een beroepsfout van een inheemse advocaat niet leidt tot een flagrante schending die uitlevering zou moeten weigeren.
Ook werd overwogen dat het Benelux Uitleveringsverdrag geen weigeringsgrond bevat voor uitlevering ter executie van verstekvonnissen zonder rechtsmiddel, maar dat bij dreigende schendingen van het EVRM een belangenafweging moet plaatsvinden. De Hoge Raad stelt dat alleen bij een aannemelijke dreiging van foltering uitlevering moet worden geweigerd.
Het beroep wordt verworpen omdat geen sprake is van een flagrante schending die uitlevering in de weg staat, mede omdat nog geen uitspraak is gedaan over het ingestelde verzet in België. De rechtbank heeft de uitlevering terecht als verzoek tot vervolging beoordeeld en de uitlevering voor bepaalde feiten ontoelaatbaar verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan België wordt toelaatbaar verklaard.