ECLI:NL:PHR:2001:AD3947

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/029HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 lid 2 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing van het beroep tegen ontslag zonder dringende reden

In deze zaak stond het ontslag van een werknemer centraal, waarbij de kantonrechter te Deventer oordeelde dat er geen dringende reden voor het ontslag was. De loonvordering van de werknemer werd toegewezen. Dit vonnis werd bevestigd door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle.

Wijco Nederland B.V. stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraken, maar de Hoge Raad concludeerde dat alle klachten van het cassatiemiddel faalden. Diverse onderdelen van het cassatiemiddel misten feitelijke grondslag of voldeden niet aan de vereisten van artikel 407 lid 2 Rv Pro. De overwegingen van de lagere rechters werden niet onbegrijpelijk geacht en de rechtsopvattingen werden niet onjuist bevonden.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was dan ook dat het beroep verworpen moest worden. Hiermee blijft het ontslag zonder dringende reden onrechtmatig en wordt de loonvordering van de werknemer gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Wijco Nederland B.V. wordt verworpen, waardoor het ontslag zonder dringende reden onrechtmatig blijft en de loonvordering van de werknemer wordt toegewezen.

Conclusie

Mr. A.S.Hartkamp
Nr. C00/029 HR
Zitting 7 september 2001
Conclusie inzake
Wijco Nederland B.V.
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
Voor de feiten zij verwezen naar het vonnis van de kantonrechter te Deventer, die, na te hebben geconstateerd dat er geen dringende reden voor het door Wijco Nederland B.V. verleende ontslag was, de loonvordering van [verweerster] heeft toegewezen, welk vonnis door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle is bekrachtigd.
Alle klachten van het tijdig voorgestelde cassatiemiddel falen naar mijn mening. De onderdelen 1a en 1b missen feitelijke grondslag. Onderdeel 1c voldoet niet aan art. 407 lid 2 Rv Pro. Onderdeel 2 bevat geen klacht. De onderdelen 2a en 2b falen, omdat de daarin bestreden overwegingen geenszins onbegrijpelijk zijn. Onderdeel 3a miskent de gedachtegang van de rechtbank. Onderdeel 3b stuit af op de slotzin van r.o. 3, welke overweging in het licht van de stellingen van partijen niet onbegrijpelijk is. De beide klachten van onderdeel 4, waarvan in elk geval de tweede onbegrijpelijk is, voldoen niet aan art. 407 lid 2 Rv Pro. Voor de klachten van onderdeel 5 geldt (voorzover zij geen feitelijke grondslag missen) hetzelfde. Voorzover onderdeel 6a feitelijke grondslag heeft, faalt het omdat de daarin bestreden overwegingen niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk zijn. De onderdelen 6b, 6c en 6d missen feitelijke grondslag.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden