ECLI:NL:PHR:2001:AD4002
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlengbaarheid van alimentatietermijn na scheiding volgens Wet limitering na scheiding
Deze zaak betreft de uitleg van een alimentatiebeschikking uit 1995 waarbij de rechtbank de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw per 1 januari 1999 beëindigde. Partijen waren gehuwd geweest en gescheiden in 1979, met een convenant waarin een termijn van tien jaar was afgesproken waarbinnen de vrouw haar eigen inkomsten zou verwerven.
De vrouw verzocht later om verlenging van de alimentatie tot 2008, terwijl de man stelde dat de alimentatie per 1999 definitief was geëindigd. De rechtbank en het hof bevestigden de beëindiging per 1999, waarbij het hof oordeelde dat de rechtbank impliciet had bepaald dat verlenging niet mogelijk was.
De Hoge Raad stelt dat de rechter bij het vaststellen van een alimentatietermijn expliciet moet beslissen of verlenging mogelijk is. Bij onduidelijkheid moet worden aangenomen dat verlenging mogelijk blijft. Het hof heeft ten onrechte aangenomen dat verlenging was uitgesloten zonder voldoende motivering. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug vanwege onvoldoende motivering over verlengbaarheid van de alimentatietermijn.