ECLI:NL:PHR:2001:AD4030
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid voorlopige machtiging psychiatrische opname ondanks vrijwillig verblijf
In deze zaak vorderde de officier van justitie een voorlopige machtiging om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voort te zetten. Betrokkene verbleef vrijwillig in het ziekenhuis maar weigerde iedere behandelinterventie en gebruikte het ziekenhuis slechts als verblijfsaccommodatie. De rechtbank kende de machtiging toe op grond van het ontbreken van de nodige bereidheid tot voortzetting van het vrijwillig verblijf en het gevaar dat betrokkene voor zichzelf en anderen vormde.
Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte een machtiging had verleend omdat zij niet had aangegeven het vrijwillig verblijf te willen beëindigen. De Hoge Raad bevestigde echter dat de rechter een beoordelingsmarge heeft om te bepalen of de nodige bereidheid aanwezig is, ook wanneer de patiënt niet expliciet het verblijf wil beëindigen. De rechtbank mocht de machtiging toekennen op grond van het feit dat betrokkene geen behandeling wilde ondergaan en het verblijf slechts als verblijfplaats gebruikte.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank voldoende had gemotiveerd waarom er sprake was van een ernstig gevaar dat niet buiten het ziekenhuis kon worden afgewend. De eerdere vrijwillige opname maakte dit niet onrechtmatig, omdat de patiënt inmiddels niet meer bereid was het verblijf vrijwillig voort te zetten. De conclusie van de Hoge Raad was dat het cassatieberoep ongegrond is en de machtiging terecht is verleend.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de voorlopige machtiging tot voortzetting van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis.