ECLI:NL:PHR:2001:AD4377
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ruime uitleg werkgever in Wet arbeid vreemdelingen en verwijst zaak terug voor nieuwe strafoplegging
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning. De verdachte voerde onder meer aan dat hij niet als werkgever kon worden aangemerkt omdat de arbeid feitelijk werd verricht voor een andere partij, Mistela, met wie een pachtovereenkomst was gesloten.
De Hoge Raad bevestigt dat de term 'werkgever' in de Wet arbeid vreemdelingen ruim moet worden uitgelegd en ook diegene omvat die in wiens opdracht arbeid wordt verricht. Uit verklaringen van de vertegenwoordiger van de verdachte blijkt dat hij het proces van teelt en oogst begeleidde en instructies gaf, waardoor hij feitelijk als werkgever fungeerde. De pachtovereenkomst met Mistela doet hieraan niet af.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de opgelegde geldboeten ondanks het draagkrachtverweer van de verdachte toereikend zijn. Daarom vernietigt de Hoge Raad het deel van het arrest dat betrekking heeft op de strafoplegging en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de strafmaat, terwijl het cassatieberoep voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het werkgeverschap van de verdachte maar vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling.