ECLI:NL:PHR:2001:AD4911
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt mogelijkheid schadevergoeding na ontbinding arbeidsovereenkomst wegens slecht werkgeverschap
In deze zaak stond centraal of een werknemer, na ontbinding van haar arbeidsovereenkomst wegens gewijzigde omstandigheden zonder vergoeding, alsnog een schadevergoeding kan vorderen wegens slecht werkgeverschap van de werkgever. De werknemer was jarenlang in dienst en raakte door de handelwijze van de werkgever opnieuw overspannen, waarna de arbeidsovereenkomst werd ontbonden zonder vergoeding.
De werknemer vorderde vervolgens materiële en immateriële schadevergoeding wegens de wijze waarop zij door de werkgever was bejegend en het verlies van haar baan. De werkgever stelde zich op het standpunt dat deze vordering niet ontvankelijk was omdat dezelfde feiten reeds in de ontbindingsprocedure aan de orde waren geweest.
De Hoge Raad bevestigde dat de regeling omtrent ontbinding van de arbeidsovereenkomst beoogt dat de rechterlijke toetsing aan redelijkheid en billijkheid in beginsel volledig tot uitdrukking komt in de vergoeding die bij ontbinding wordt toegekend. Echter, indien de ontbindingsbeschikking expliciet verwijst naar een aparte procedure voor schadevergoeding wegens slecht werkgeverschap, staat die vordering open.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de werkgever en bevestigde dat in dit geval sprake was van een dergelijke verwijzing, waardoor de werknemer ontvankelijk was in haar vordering tot schadevergoeding. De zaak benadrukt de mogelijkheid om na ontbinding een aparte procedure te voeren voor schadevergoeding op grond van wanprestatie door de werkgever.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de werknemer ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding wegens slecht werkgeverschap na ontbinding van de arbeidsovereenkomst.