ECLI:NL:PHR:2001:AD5158
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid onteigeningsprocedure gemeente Leidschendam
In deze zaak staat de onteigening van een perceelsgedeelte door de gemeente Leidschendam centraal. De gemeente had op grond van het bestemmingsplan en het uitwerkingsplan een deel van het perceel van eiser onteigend. Na goedkeuring van het raadsbesluit door een Koninklijk Besluit, heeft de gemeente geprobeerd het perceelsgedeelte in der minne te verwerven. Dit leidde tot een aanbod van ƒ 83.000,- als schadeloosstelling, dat eiser niet accepteerde.
De rechtbank had de gevorderde onteigening uitgesproken en vastgesteld dat de gemeente voldoende pogingen had gedaan om tot een minnelijke overeenkomst te komen, zoals vereist in artikel 17 van Pro de Onteigeningswet. Eiser stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de gemeente voldoende serieus had onderhandeld, mede vanwege een plotseling lager bod en een onvoldoende onderbouwde taxatie.
De Hoge Raad oordeelt echter dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de gemeente aan haar verplichtingen had voldaan. Het lagere bod was gebaseerd op een taxatie die niet onredelijk werd geacht, en de gemeente had meerdere pogingen ondernomen om overeenstemming te bereiken. Ook de termijn die aan eiser werd gegeven om het bod te accepteren was redelijk. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van de onteigeningsprocedure en het vonnis van de rechtbank.