ECLI:NL:PHR:2001:AD5353
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aansprakelijkheid en bewijsverdeling bij verontreinigde grond en containerhuur
In deze zaak gaat het om een conflict tussen eiseres en verweerster over de uitvoering van sloopwerkzaamheden bij het project Bloemenveiling Westland. Verweerster had een opdracht gekregen via een ingenieursbureau om werkzaamheden uit te voeren, waarbij tijdens de uitvoering verontreinigde grond werd geconstateerd. Verweerster kreeg opdracht om het verontreinigde materiaal tijdelijk in containers op te slaan, maar eiseres betwistte de opdracht en stelde dat verweerster de grond moest afvoeren ongeacht verontreiniging.
De rechtbank oordeelde dat verweerster de kosten voor containerhuur mocht vorderen, maar stelde eiseres bewijs op te leveren dat verweerster bij inschrijving op de hoogte was van de verontreiniging. Het hof bekrachtigde dit oordeel en wees het cassatieberoep van eiseres af, waarbij het hof niet onbesproken liet dat de bewijslevering nog moest plaatsvinden en dat de vraag over de opdracht en vertegenwoordiging nog niet definitief was beslist.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep prematuur is omdat nog geen definitieve beslissing is genomen over de kern van het geschil, zoals de bewijslastverdeling en de vraag of een tweede overeenkomst tot stand is gekomen. De Hoge Raad wijst het beroep af en benadrukt dat het aan de feitenrechter is om het geschil te beslechten en dat een praktische benadering is gekozen die niet onredelijk is.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zaak wordt terugverwezen voor verdere bewijslevering en beoordeling.