ECLI:NL:PHR:2001:AD8355
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens geringe overschrijding redelijke termijn bij hoger beroep
In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch een verplichting opgelegd aan verzoeker tot betaling van een bedrag van ƒ 2.775,- wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, subsidiair 40 dagen hechtenis. Verzoeker stelde twee middelen van cassatie voor, waarvan het eerste middel betrof de overschrijding van het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Het hof had geoordeeld dat de redelijke termijn niet was overschreden omdat het aanvangspunt van de termijn de datum van het instellen van hoger beroep was (8 juni 1998) en het eindpunt de datum van behandeling door het hof (31 mei 2000). De Hoge Raad corrigeert dit door te stellen dat het eindpunt de datum van de einduitspraak van het hof dient te zijn (13 juni 2000), waardoor de termijn met vijf dagen wordt overschreden.
Gezien de geringe overschrijding en het ontbreken van bijzondere omstandigheden acht de Hoge Raad het passend om het opgelegde bedrag te verminderen. Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat het voordeel per bolletje cocaïne gelijk is aan de verkoopprijs van ƒ 25,- en niet de inkoopprijs zoals door verzoeker gesteld.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden vonnis slechts voor wat betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: Het opgelegde bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd wegens geringe overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.