ECLI:NL:PHR:2001:ZC3666
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt matiging boete en rentevergoeding bij ontbinding koopovereenkomst onroerend goed
Partijen sloten op 13 mei 1978 een koopovereenkomst voor een boerderij met opstallen en grond tegen een koopsom van ƒ 2.050.000,-. De koper ([eiser]) betaalde niet tijdig de koopsom en werkte niet mee aan de eigendomsoverdracht. Na ingebrekestelling en uitstel is de koopovereenkomst ontbonden. De verkopers ([verweerder] c.s.) vorderden betaling van een boete van ƒ 2 miljoen en schadevergoeding.
De rechtbank verklaarde de overeenkomst ontbonden en veroordeelde [eiser] tot betaling van een boete van ƒ 50.000,-. Het hof matigde de boete tot ƒ 241.201,80 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 oktober 1978. De Hoge Raad vernietigt dit deel van het arrest en bepaalt dat de rente berekend moet worden vanaf 5 oktober 1978 tot 1 oktober 1979 over de koopsom van ƒ 1.232.500,-.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht de boete matigde, rekening houdend met de geleden schade, en dat het hof niet buiten de rechtsstrijd trad door de schade te betrekken bij de matiging. Ook is het oordeel dat bepaalde stellingen van [eiser] te laat zijn ingebracht en buiten beschouwing zijn gelaten, juist en voldoende gemotiveerd. De rest van het arrest wordt bekrachtigd.
Het arrest bevestigt dat bij ontbinding van een koopovereenkomst een boete kan worden gematigd tot het bedrag van de daadwerkelijke schade en dat rentevergoeding over de koopsom vanaf de datum van wanprestatie verschuldigd is. Tevens wordt bevestigd dat het hof de zaak mag aanhouden en terugverwijzen voor verdere schadevaststelling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het boetebedrag betreft en bepaalt rente vanaf 5 oktober 1978 tot 1 oktober 1979 over de koopsom, en bekrachtigt het arrest voor het overige.