ECLI:NL:PHR:2001:ZC8114
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over terugwerkende kracht en vertrouwensbeginsel bij wijziging Wet op de omzetbelasting 1968
De zaak betreft een beroep van X B.V. tegen een naheffingsaanslag en boete opgelegd door de Inspecteur vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden voor belaste verhuur onder de gewijzigde Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968). X B.V. had een kantoorpand vervaardigd en een gedeelte daarvan verhuurd aan B-Bank, waarbij omzetbelasting werd geheven en afgetrokken. De Inspecteur stelde dat de optieregeling voor belaste verhuur niet van toepassing was omdat de schriftelijke huurovereenkomst niet bestond vóór 31 maart 1995 18.00 uur, zoals vereist in de overgangsregeling van de Wet Stb. 95/659.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de toepassing van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel in het communautaire recht en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) over terugwerkende kracht van wetswijzigingen. Daarbij wordt onder meer het arrest Schloßstraße behandeld, waarin het HvJ EG oordeelde over het behoud van het recht op aftrek van voorbelasting ondanks wetswijzigingen.
De Hoge Raad concludeert dat de beoordeling van de geschilpunten over de terugwerkende kracht en het vertrouwensbeginsel vragen van Europees recht betreft die nog niet door het HvJ EG zijn beantwoord. Daarom worden prejudiciële vragen aan het HvJ EG voorgelegd. Tevens wordt ingegaan op de fiscale aspecten van integratieheffing, herziening van vooraftrek en de voorwaarden waaronder belaste verhuur mogelijk is. De overgangsregeling en de eis van een schriftelijke overeenkomst worden kritisch besproken in het licht van belangenafwegingen en rechtszekerheidsbeginselen.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJ EG over de terugwerkende kracht van wetswijzigingen en het vertrouwensbeginsel in de omzetbelasting.