ECLI:NL:PHR:2001:ZD2515
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van rechters tot aangifte van strafbare feiten in civiele procedures en geheimhoudingsplicht
In deze zaak staat centraal de vraag of een rechter tijdens een civiele procedure strafbare feiten, die hem ter openbare terechtzitting door partijen worden medegedeeld, onverplicht mag melden bij het openbaar ministerie. De Hoge Raad stelt dat het belang van een eerlijk proces en een open gedingvoering vereist dat partijen vrij zijn om alle relevante feiten aan de rechter kenbaar te maken zonder vrees dat de rechter daarvan aangifte zal doen. Dit belang weegt zwaarder dan de algemene bevoegdheid van de rechter om aangifte te doen op grond van art. 161 Sv Pro, tenzij er een wettelijke verplichting tot aangifte bestaat of de taak van de rechter een noodzaak tot mededeling inhoudt.
De zaak betreft onder meer een echtscheidingsprocedure waarin verdachte valsheid in geschrifte pleegde door valse beleggingsovereenkomsten te overleggen. De rechter deed daarop aangifte, wat door de Hoge Raad onrechtmatig werd geoordeeld omdat geen wettelijke verplichting tot aangifte bestond en de geheimhoudingsplicht van de rechter uit art. 28a Wet RO dit verbiedt. De Hoge Raad nuanceert hiermee het arrest van de vierde kamer uit 1998 en benadrukt dat het beginsel van openheid in de gedingvoering prevaleert, tenzij uitzonderingen zich voordoen.
Daarnaast behandelt de Hoge Raad de verhouding tussen de geheimhoudingsplicht van de rechter en zijn bevoegdheid tot aangifte, waarbij wordt vastgesteld dat de geheimhoudingsplicht niet zonder meer wordt doorbroken door de algemene aangiftebevoegdheid. Ook wordt besproken dat het civiele proces niet mag worden misbruikt door partijen die met valsheid in geschrifte de rechter trachten te misleiden, maar dat in dergelijke gevallen de rechter slechts op grond van wettelijke verplichtingen tot aangifte mag overgaan.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden beslissingen van het hof en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging, waarbij wordt benadrukt dat bewijs verkregen naar aanleiding van een rechterlijke aangifte niet onrechtmatig is. De uitspraak heeft een principieel karakter en laat ruimte voor nuanceringen in de praktijk onder toezicht van de hoogste rechter.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging, waarbij de rechter niet vrij is om onverplicht aangifte te doen van strafbare feiten die hem in civiele procedures ter kennis komen.