ECLI:NL:PHR:2001:ZD2673

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02956/00 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Wetboek van StrafrechtArt. 437 Wetboek van StrafvorderingArt. 511i Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in ontnemingszaak wegens wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het vonnis van de arrondissementsrechtbank bevestigd waarbij aan verzoeker de verplichting is opgelegd tot betaling van ƒ 44.000 aan de Staat, subsidiair 169 dagen hechtenis, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Verzoeker heeft via zijn advocaat cassatiemiddelen ingediend die voortbouwen op eerdere middelen in de hoofdzaak. Het middel betoogt dat bij gegrondverklaring van één van de cassatiemiddelen in de hoofdzaak niet zonder meer gesproken kan worden van wederrechtelijk genoten voordeel.

De Procureur-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, verwijzend naar zijn conclusie in de hoofdzaak. De Hoge Raad heeft geen ambtshalve gronden tot cassatie aangetroffen en heeft het beroep verworpen.

Deze zaak hangt samen met meerdere andere zaken, waaronder de hoofdzaak met gr.nr. 02976/00, waarin ook vandaag conclusies zijn genomen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; ontnemingsmaatregel van ƒ 44.000 bevestigd.

Conclusie

Nr. 02956/00 P
Mr. Machielse
Zitting: 13 maart 2001
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij arrest van 10 december 1999 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage bevestigd waarbij aan verzoeker de verplichting is opgelegd tot betaling van een bedrag aan de Staat ad ƒ 44.000,=, subsidiair 169 dagen hechtenis, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.(1)
3. Het middel in deze ontnemingszaak borduurt louter voort op de inhoud van de twee door mr. Spong in de hoofdzaak ingediende cassatiemiddelen. Het middel in deze zaak berust namelijk op de stelling dat gegrondbevinding van (één van) de cassatiemiddelen in de hoofdzaak meebrengt dat niet zonder meer gesproken kan worden van "wederrechtelijk" genoten voordeel door verzoeker.
4. In de jegens verzoeker gewezen hoofdzaak, gr.nr. 02976/00, heb ik heden geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Eenvoudigheidshalve verwijs ik daartoe naar de hieraan gehechte kopie van mijn in die zaak genomen conclusie.
3. Het middel is faalt dus.
4. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Deze zaak hangt samen met de hoofdzaak van verzoeker, bekend onder gr.nr. 02976/00, waarin ik eveneens heden concludeer. Deze zaak hangt voorts samen met de zaken die bekend zijn onder de oplopende gr.nrs 02952/00 tot en met 02955/00 en 02957/00 alsook 02976/00, waarin ik ook vandaag concludeer.