ECLI:NL:PHR:2001:ZD2765

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
00407/00
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 449 SvArt. 450 SvArt. 512 SvArt. 513 SvArt. 514 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens onjuiste procedure bij wrakingsverzoek WAHV

De betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een beslissing van het gerechtshof te Leeuwarden, dat zich onbevoegd had verklaard kennis te nemen van het hoger beroep tegen een wrakingsbeslissing van de kantonrechter in een WAHV-zaak. De Hoge Raad oordeelt dat betrokkene niet de voorgeschreven procedure heeft gevolgd zoals voorgeschreven in artikel 449 en Pro 450 van het Wetboek van Strafvordering.

De juiste procedure vereist dat het beroep wordt ingesteld bij de griffie van het gerecht waarvan men het oordeel wil aanvechten, met een akte of schriftelijke indiening, waarna de griffier een volmacht opstelt. Direct beroep bij de Hoge Raad is niet toegestaan, ook niet door enkel mededeling aan de griffie van het gerechtshof.

Daarnaast benadrukt de conclusie dat de artikelen 512 tot en met 519 Sv van overeenkomstige toepassing zijn op de wrakingsprocedure in het kantongerecht volgens de WAHV, en dat tegen de beslissing van de rechtbank inzake wraking geen rechtsmiddel openstaat. Het hof was dus terecht onbevoegd. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.

Uitkomst: Beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard wegens onjuiste procedure bij wrakingsverzoek in WAHV-procedure.

Conclusie

Nr. 00407/00/B
Zitting 10 april 2001
Mr Jörg
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Edelhoogachtbaar College,
1. [betrokkene] heeft zich bij brief van 10 februari 2000 tot de Hoge Raad gewend, met welke brief hij beroep in cassatie instelt tegen een beslissing van het gerechtshof te Leeuwarden van 9 februari 2000, met welke beslissing het hof zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van het hoger beroep dat [betrokkene] had ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank te Leeuwarden van 13 oktober 1999, waarbij [betrokkene] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn wrakingsverzoek van de kantonrechter te Beetsterzwaag, handelend in het kader van de WAHV.
Afschrift van deze brief heeft de Onroerendgoedcentrale gezonden aan de griffier van het gerechtshof te Leeuwarden, met het verzoek het dossier naar de Hoge Raad te sturen. Was getekend: [betrokkene].
2. Aldus heeft [betrokkene] niet de weg bewandeld die behoort te worden bewandeld, en die is voorgeschreven in art. 449 en Pro 450 van het Wetboek van Strafvordering. De verplichte weg voert langs de griffie van het gerecht tegen welks beslissing de bezwaarde een rechtsmiddel wil instellen, alwaar een akte moet worden opgemaakt, houdende het instellen van het beoogde rechtsmiddel. Deze weg kan ook schriftelijk worden afgelegd – waarbij aan het voorschrift van de aangetekende verzending van een brief niet meer strikt de hand wordt gehouden – waarna een volmacht tot het instellen van het rechtsmiddel door de griffier zal worden opgemaakt. De déformalisering die bij het instellen van rechtsmiddelen inmiddels is opgetreden en die onder meer inhoudt dat men brieven van verdachten naar hun bedoeling moet beoordelen (zie De Hullu in Tekst en Commentaar Strafrecht, 3e druk, aantekening 3d op art. 450) is nog niet zóver voortgeschreden, dat men ook al rechtstreeks bij de Hoge Raad beroep in cassatie kan instellen en kan volstaan met het doen van mededeling daarvan aan de griffie van het gerecht in laatste feitelijke instantie. Uw Raad kan mijns inziens op straffe van het creëren van een algehele chaos bij het instellen van rechtsmiddelen geen gehoor verlenen aan iemand die, als [betrokkene], zeer goed blijkt te weten waar zijn dossier zich bevindt, maar vervolgens niet bij die instantie beroep instelt.
3. Overigens wil ik subsidiair opmerken dat de WAHV in art. 12a bepaalt dat de artikelen 512 tot en met 519 Sv, betreffende wraking en verschoning van rechters, van overeenkomstige toepassing zijn op de procedure bij het kantongerecht, rechtsprekend in beroep tegen de beslissing van de officier van Justitie in lichte verkeerszaken. Dit houdt in dat het de rechtbank is in het rechtsgebied waarvan het kantongerecht is gelegen, die van een wrakingsverzoek kennisneemt en daarop beslist (art. 516 Sv Pro) en dat tegen de beslissing geen rechtsmiddel openstaat (art. 518). Het oordeel van het gerechtshof dat het zich onbevoegd acht om kennis te nemen van dit bestuursrechtelijk genoemde geschil is op zichzelf niet onjuist, maar zou [betrokkene] nog een sprankje hoop hebben kunnen bezorgen dat er ergens in Nederland wèl een bevoegde rechter voor zijn wrakingszaak zou zijn, terwijl hij zonder meer niet-ontvankelijk is omdat hij een rechtsmiddel aanwendt dat de wet hem niet verleent. Tot een – hoogst uitzonderlijke – doorbreking van het rechtsmiddelenverbod bestaat geen aanleiding.
4. Deze conclusie strekt primair tot niet-ontvankelijkheid van de poging het rechtsmiddel van beroep in cassatie aan te wenden, subsidiair tot niet-ontvankelijkheid van het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,