ECLI:NL:PHR:2001:ZD2881
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep uitlevering wegens ontbreken middelen van cassatie
De arrondissementsrechtbank Haarlem verklaarde de vervolgingsuitlevering van de verzoeker aan België toelaatbaar op grond van een aanhoudingsbevel van de Belgische onderzoeksrechter. De verzoeker diende een geschrift in met opmerkingen tegen deze uitspraak, maar dit geschrift was niet ondertekend door een advocaat en bevatte geen geldige middelen van cassatie zoals vereist volgens art. 437 Sv Pro.
De Procureur-Generaal merkt op dat middelen van cassatie duidelijke klachten over rechtsregels of vormverzuimen moeten bevatten, wat in dit geval ontbrak. Het geschrift bevatte wel inhoudelijke opmerkingen over de interpretatie van het verweer door de rechtbank, maar gaf geen concrete rechtsregels of vormvoorschriften aan die geschonden zouden zijn.
Daarbij is niet voldaan aan het voorschrift van art. 31, vierde lid, Uitleveringswet, dat vereist dat een advocaat binnen de wettelijke termijn een schriftuur met middelen van cassatie indient. Hierdoor wordt de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep tegen de uitlevering.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het beroep van de verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard, waarmee de uitleveringsprocedure kan worden voortgezet.
Uitkomst: Het beroep van de verzoeker tegen uitlevering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van geldige middelen van cassatie en het niet tijdig indienen door een advocaat.