ECLI:NL:PHR:2001:ZD2923
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor rijden zonder geldig Nederlands rijbewijs met overschrijding redelijke termijn
Verdachte werd veroordeeld voor het rijden zonder geldig Nederlands rijbewijs op 3 februari 1996 in Amsterdam. Hij beschikte over een Brits rijbewijs dat hij in 1993 behaalde en woonde toen al in Nederland. De rechtbank achtte hem schuldig aan overtreding van artikel 9 eerste Pro lid onder 3e van de Wegenverkeerswet 1994.
In hoger beroep werd betoogd dat de uitzondering in artikel 101 Wegenverkeersreglement van toepassing was, die het rijden met een buitenlands rijbewijs toestaat binnen één jaar na vestiging in Nederland. De Hoge Raad oordeelde dat deze uitzondering niet tot de delictsinhoud behoort en niet in de tenlastelegging hoeft te worden opgenomen. Omdat verdachte al meer dan een jaar in Nederland woonde bij het tijdstip van de overtreding, faalt dit verweer.
Verder werd geklaagd over het gebruik van een niet redengevend deel van de verklaring van verdachte als bewijs en het ontbreken van verwijzing naar artikel 9 Wetboek Pro van Strafrecht als strafgrondslag. De Hoge Raad oordeelde dat de verklaring wel degelijk redengevend was en dat het ontbreken van artikel 9 Sr Pro in de uitspraak terecht werd hersteld.
Ten slotte werd de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vastgesteld. Hoewel de termijnoverschrijding ernstig was, vond de Hoge Raad dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moest leiden, maar tot vermindering van de opgelegde geldboete. De Hoge Raad vernietigde het vonnis uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en matigde de geldboete.
Uitkomst: Het vonnis is vernietigd voor de strafoplegging, de geldboete is verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.