Uitspraak
[woonplaats].
26 oktober 1999.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte is veroordeeld voor valsheid in geschrift en medeplegen daarvan. Het hof had de straf gewijzigd van tien weken gevangenisstraf naar 120 uur onbetaalde arbeid.
De verdachte stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, met name door de duur van de cassatieprocedure. De Hoge Raad beoordeelde dat hoewel de behandeling in cassatie langer duurde dan wenselijk, dit niet leidde tot een schending van het recht op een redelijke termijn, mede omdat de verdachte niet in voorlopige hechtenis zat.
De Hoge Raad bevestigde dat het totale tijdsverloop van de procedure in alle instanties niet onredelijk was. De klachten over de overschrijding van de redelijke termijn faalden daarom. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geen schending van de redelijke termijn vastgesteld.