ECLI:NL:PHR:2001:ZD2932
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest hof wegens kennelijke misslag in duur vervangende hechtenis bij ontnemingsvordering
Het gerechtshof te Amsterdam legde aan verzoeker de verplichting op tot betaling aan de Staat van fl. 7.946,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, subsidiair tachtig dagen hechtenis. Verzoeker stelde cassatie in tegen dit arrest.
De Hoge Raad onderzocht onder meer of het hof het verweer terecht had verworpen dat de verklaring van verzoeker niet als bewijs mocht worden gebruikt wegens het ontbreken van een afzonderlijke cautie bij financiële vragen. De Hoge Raad oordeelde dat dit verweer geen steun vond in het recht, omdat de verdachte voorafgaand aan het verhoor al was gewaarschuwd en er geen strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) was.
Verder werd beoordeeld of het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel terecht geen rekening had gehouden met diverse kosten die verzoeker had opgevoerd. De Hoge Raad bevestigde dat het hof deze kosten terecht niet aannam wegens onvoldoende onderbouwing en dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd.
Ten slotte constateerde de Hoge Raad een kennelijke misslag van het hof bij het vaststellen van de duur van de vervangende hechtenis op 80 dagen, terwijl de Procureur-Generaal slechts twee maanden had gevorderd. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover dit betreft en stelde de vervangende hechtenis ambtshalve vast op 60 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De vervangende hechtenis wordt verminderd tot 60 dagen, het beroep wordt verder verworpen.