ECLI:NL:PHR:2002:AD5409
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over termijn en ontvankelijkheid van verzet tegen dwangbevel tenuitvoerlegging
In deze zaak stond de vraag centraal of een veroordeelde verzet kan instellen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel vanaf het moment dat het dwangbevel aan hem is betekend, of pas nadat daadwerkelijk beslag is gelegd op zijn goederen. De rechtbank had geoordeeld dat verzet pas mogelijk was na beslaglegging en verklaarde het verzet van de veroordeelde niet-ontvankelijk.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad stelde in zijn conclusie dat de wet, met name artikel 575 van Pro het Wetboek van Strafvordering, weliswaar een uiterste termijn van zeven dagen na inbeslagneming stelt, maar niet voorschrijft dat verzet pas na beslag kan worden ingesteld. Het dwangbevel is een executoriale titel, en het zou onbevredigend zijn als de veroordeelde niet tijdig bezwaar kan maken tegen een ten onrechte uitgevaardigd dwangbevel.
De Hoge Raad volgde deze redelijke wetsuitleg en oordeelde dat verzet kan worden ingesteld vanaf het moment van betekening van het dwangbevel. De eerdere beslissing van de rechtbank werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling. Tevens werd opgemerkt dat het dwangbevel ten onrechte buitengerechtelijke incassokosten en deurwaarderskosten bevatte.
Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel is ontvankelijk vanaf het moment van betekening en de eerdere niet-ontvankelijkheidsverklaring wordt vernietigd.