ECLI:NL:PHR:2002:AD6633
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering toelating schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw en schending inlichtingenplicht
Verzoeker, directeur en middellijk groot-aandeelhouder van meerdere vennootschappen, ontving sinds april 1997 geen salaris meer, terwijl hij voltijds werkte. De huurinkomsten uit onroerend goed waarin hij voor een derde eigenaar was, waren gehalveerd en er was sprake van achterstallige huurbetalingen door de vennootschappen. Verzoeker had geen andere inkomsten en financierde zijn levensonderhoud met leningen bij de bank en vrienden.
Bij de aanvraag tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft verzoeker niet alle schulden gemeld, waaronder een vordering van de SNS-bank en diverse kleinere schulden. Ook gaf hij onjuiste informatie over een bedrag op een Rabobankrekening dat hem privé toekwam. De rechtbank wees het verzoek tot toelating af op grond van zowel de facultatieve als imperatieve weigeringsgronden van artikel 288 Fw Pro.
Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde vast dat verzoeker niet te goeder trouw was bij het ontstaan van de schulden en zijn inlichtingenplicht had geschonden. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel van verzoeker, oordeelde dat het hof zijn oordeel niet onbegrijpelijk had gemotiveerd en dat verzoeker terecht niet werd toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verzoeker niet wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw zijn en schending van de inlichtingenplicht.