ECLI:NL:PHR:2002:AD7357

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/249HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 2 EVRMArt. 27 SvArt. 57 SvArt. 63 SvArt. 89 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen onrechtmatige voorlopige hechtenis na vrijspraak wegens diefstal met geweld

Eiser werd op 18 november 1994 aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen wegens verdenking van diefstal met geweld. Na een veroordeling in eerste aanleg werd hij bij arrest van 20 september 1995 door het hof vrijgesproken en onmiddellijk in vrijheid gesteld. Eiser vorderde vervolgens schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige voorlopige hechtenis.

De rechtbank wees de vordering af, stellende dat geen sprake was van onrechtmatige vrijheidsbeneming, omdat de voorlopige hechtenis was gebaseerd op een redelijk vermoeden van schuld. Het hof bekrachtigde dit oordeel in hoger beroep. Eiser stelde cassatie in tegen deze uitspraken.

De Hoge Raad oordeelt dat de onschuldpresumptie niet is geschonden omdat het hof de vrijspraak als vaststaand heeft aangenomen en niet heeft gesuggereerd dat eiser zich toch schuldig zou hebben gemaakt. Tevens heeft het hof geen argumenten uit de strafzaak gebruikt om de schadevordering af te wijzen, maar uitsluitend onderzocht of de verdenking ten tijde van de voorlopige hechtenis ongegrond was. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen sprake is van onrechtmatige voorlopige hechtenis.

Conclusie

C 00/249 HR
Mr. F.F. Langemeijer
Zitting 7 december 2001
(bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
de Staat der Nederlanden
In dit geding wordt na een vrijspraak schadevergoeding gevorderd voor voorlopige hechtenis.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1):
1.1.1. Op 18 november 1994 is eiser tot cassatie aangehouden op verdenking van het op die dag gepleegd hebben van diefstal met geweld dan wel afpersing. Eiser is op 18 november 1994 in verzekering gesteld. Vervolgens is hij in bewaring gesteld en heeft hij tot 20 september 1995 in voorlopige hechtenis doorgebracht.
1.1.2. De rechtbank te Dordrecht heeft eiser bij vonnis van 9 maart 1995 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Eiser heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
1.1.3. Bij onherroepelijk geworden arrest van 20 september 1995 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage eiser vrijgesproken en zijn onmiddellijke invrijheidstelling bevolen. Hierbij is o.m. overwogen:
"Naar het oordeel van het hof is op grond van wettige bewijsmiddelen niet overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is telastegelegd.
De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken, hetgeen overigens niet wegneemt dat de verdachte door zijn proceshouding en zijn wisselende en tegenstrijdige verklaringen - met name omtrent de herkomst van het op hem en in de door hem bestuurde auto aangetroffen geld - gedurende lange tijd de verdenking op zich heeft geladen het telastegelegde te hebben gepleegd."
1.1.4. Bij beschikking van 28 februari 1996 heeft het hof te 's-Gravenhage het door eiser ingediende verzoek als bedoeld in art. 89 Sv Pro afgewezen. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de aangewezen vice-president van het hof te 's-Gravenhage het door eiser ingediende verzoek als bedoeld in art. 591a Sv afgewezen.
1.1.5. Het beklag van eiser, door hem gedaan overeenkomstig art. 118, derde lid, (oud) Sv, is bij beschikking van 30 september 1996 door het hof te 's-Gravenhage ongegrond verklaard.
1.2. Eiser heeft bij inleidende dagvaarding d.d. 4 november 1996 van de Staat betaling gevorderd van f 1.009.023,13. Hij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de Staat, althans een orgaan waarvoor de Staat aansprakelijk is, onrechtmatig heeft gehandeld door hem ten onrechte 10 maanden en 3 dagen in voorlopige hechtenis te houden en dat hij hierdoor schade heeft geleden. Hij stelt deze schade op f 1.000.000,- aan materiële en immateriële schade, aangezien hij gedurende zijn vrijheidsbeneming zijn autobedrijf niet heeft kunnen uitoefenen en zijn naam is bezoedeld, en op f 9.023,13 aan kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en in de onder 1.1.4 en 1.1.5 genoemde procedures.
1.3. De Staat heeft, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak over dit onderwerp, betwist dat hier sprake is geweest van een onrechtmatige overheidsdaad. Subsidiair heeft de Staat de gestelde schade betwist (zowel het bestaan van de gestelde schade als het oorzakelijk verband met de gestelde onrechtmatige daad) en een beroep gedaan op art. 6:101 BW Pro.
1.4. De rechtbank heeft bij vonnis van 12 november 1997 de vordering afgewezen. De rechtbank stelde voorop dat alleen sprake is van onrechtmatige inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis:
a. indien de vrijheidsbeneming is ondergaan ingevolge een bevel dat is verleend in strijd met de wet dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten;
b. indien achteraf uit het strafvorderlijk onderzoek - uit de einduitspraak of anderszins - blijkt dat de verdenking op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden ten onrechte heeft bestaan.
De rechtbank was van oordeel dat geen van beide situaties zich hier voordoet.
1.5. Eiser heeft hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 11 mei 2000 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.6. Eiser heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van dit beroep. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Onderdeel 1 richt een motiveringsklacht tegen rov. 3.3. De motivering zou onbegrijpelijk zijn omdat de verwijzing door het hof naar HR 12 juni 1998, NJ 1999, 159, niet klopt. De klacht faalt. Hoewel de vindplaats in rov. 3.3 inderdaad niet correct is vermeld (het arrest van 12 juni 1998 is gepubliceerd in NJ 1999, 99), is de redengeving van het hof daardoor niet onbegrijpelijk geworden: inhoudelijk niet, omdat hetgeen in rov. 3.3 daaraan voorafgaat de beslissing zelfstandig draagt en overigens niet, omdat de Staat bij memorie van antwoord (blz. 4) op dit arrest met de juiste vindplaats een beroep had gedaan en het arrest voor eiser te vinden was.
2.2. Onderdeel 2 klaagt in de eerste plaats over schending van art. 6 lid 2 EVRM Pro (de onschuldpresumptie). Het onderdeel wijst op EHRM 25 augustus 1993, NJ 1994, 1 m.nt. Kn (Sekanina/Oostenrijk) en maakt daaruit op dat, indien er sprake is van een (onherroepelijke) vrijspraak, geen argumenten uit de strafzaak gebezigd mogen worden door de rechter om een verzoek om schadeloosstelling af te wijzen. Vervolgens klaagt eiser dat het hof, in strijd met deze EHRM-uitspraak, met argumenten uit de strafzaak het verzoek om schadeloosstelling heeft "getorpedeerd".
2.3. De betekenis van de onschuldpresumptie voor de beoordeling van verzoeken om schadevergoeding na voorlopige hechtenis is in een reeks eerdere procedures aan de orde gesteld. Volstaan moge worden met verwijzing naar HR 29 april 1994, NJ 1995, 727 m.nt. CJHB en EAA, HR 23 december 1994, NJ 1995, 512 m.nt. C en het eerder genoemde arrest van 12 juni 1998. Van de Europese rechtspraak ná Sekanina zijn vermeldenswaard: EHRM 28 september 1995, NJ 1995, 726 m.nt. EAA (Masson en Van Zon/Nederland; in NJCM-Bull. 2000 blz. 235-244 besproken door M. Viering); EHRM 26 maart 1996, NJCM-Bull. 1996 blz. 584 (Leutscher/Nederland); EHRM 24 november 1997, NJCM-Bull. 1998 blz. 464 resp. 466 (Szücs resp. Werner/Oostenrijk); EHRM 25 januari 2000, NJCM-Bull. 2001 blz. 235 (Van Leeuwen/Nederland); EHRM 21 maart 2000, NJCM-Bull. 2000 blz. 1009 (Rushiti/Oostenrijk); EHRM 10 juli 2001 (Lamanna/Oostenrijk; n.g., te vinden via de EHRM-site, www.echr.coe.int). In één zin samengevat, is niet verenigbaar met art. 6 EVRM Pro dat een onherroepelijke vrijspraak op losse schroeven zou worden gezet wanneer een andere rechter nadien vaststelt, of zelfs maar suggereert, dat de vrijgesproken verdachte zich tóch heeft schuldig gemaakt aan het strafbare feit waarvan hij werd verdacht.
2.4. In het thans bestreden arrest lees ik niet het oordeel, of zelfs maar de suggestie, dat eiser zich tóch heeft schuldig gemaakt aan het strafbare feit waarvan hij werd verdacht. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Rechtbank en hof hebben de vrijspraak aanvaard als een gegeven waaraan niet te tornen valt. Dat in rov. 3.2 en 4.2 wordt onderzocht of de verdenking jegens eiser ten onrechte heeft bestaan (met de nadruk op het gebruikte perfectum: het hof oordeelt naar het tijdstip waarop de dwangmiddelen werden toegepast), hangt samen met de maatstaf uit de aangehaalde rechtspraak, dat voorlopige hechtenis in beginsel wordt gerechtvaardigd door het bestaan van verdenking, d.w.z. dat uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig feit voortvloeit (zie art. 27, 57 e.v., 63 e.v. Sv). De steller van het middel ziet over het hoofd dat voor een rechtmatige inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis niet is vereist dat komt vast te staan dat de verdachte het feit waarvan hij wordt verdacht werkelijk heeft gepleegd. De vrijspraak en het gelijktijdig gegeven bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling maken duidelijk dat de verdenking op en vanaf 20 september 1995 niet langer bestond. Anders dan het middelonderdeel veronderstelt, volgt uit de vrijspraak niet zonder meer dat in het tijdvak voordien, van 18 november 1994 tot 20 september 1995, niet een op feiten of omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden van schuld heeft bestaan en heeft mogen bestaan. Nu het hof zich in de civiele zaak niet, ook niet impliciet, heeft uitgesproken over de vraag of eiser zich heeft schuldig gemaakt aan het strafbare feit waarvan hij werd verdacht, is de onschuldpresumptie niet geschonden.
2.5. Het hof heeft evenmin argumenten uit de strafzaak gebruikt om de vordering tot schadevergoeding af te wijzen. Ook in zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. In het bijzonder heeft het hof geen argument ontleend aan een in het middelonderdeel genoemde (niet door eiser ondertekende) verklaring van eiser d.d. 23 november 1994, zoals vastgelegd in een (door eiser betwist) proces-verbaal van politie. Het hof heeft uitsluitend - en in het voordeel van eiser - onderzocht of aan het strafdossier argumenten waren te ontlenen om te komen tot het oordeel dat de verdenking ten tijde van de toepassing van de dwangmiddelen ongefundeerd was. Dat strookt met de rechtspraak van de Hoge Raad. Zie o.m. HR 12 juni 1998, NJ 1999, 99, rov. 3.3: "Zo uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindige strafzaak niet van de onschuld van de verdachte en derhalve van het ongefundeerd zijn van de verdenking blijkt (enz.)". Het hof heeft vastgesteld dat hiervan niet blijkt uit het arrest in de strafzaak. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op de motivering van de vrijspraak; zie de weergave in rubriek 1.1.3 hiervoor. Het hof heeft hieraan toegevoegd dat er evenmin andere, aan het strafdossier ontleende argumenten zijn aangevoerd waaruit de onschuld van eiser zou moeten blijken. Kennelijk in reactie op die overweging, wijst eiser aan het slot van dit middelonderdeel op de repliek in eerste aanleg: volgens het middel komt het aldaar gestelde zakelijk overeen met hetgeen namens hem in de strafzaak is bepleit. Eiser concludeert dat de tegen hem gerezen verdenkingen vanaf het begin (bedoeld zal zijn: vanaf de inverzekeringstelling) ten onrechte zijn geweest.
2.6. Voor zover eiser met zijn mededeling, dat de inhoud van de repliek in eerste aanleg "als hier herhaald en ingelast" geldt, beoogt in cassatie een herbeoordeling te verkrijgen van alle bij repliek aangevoerde argumenten, wordt miskend dat art. 407, tweede lid, Rv aan een cassatiemiddel eisen stelt waaraan op deze wijze niet wordt voldaan(2). De stelling dat eiser "het hem ten laste gelegde van het begin af aan heeft ontkend en verder logische en consistente verklaringen heeft afgelegd" is een partijstandpunt. Dit standpunt, ook al is het verwoord in een processtuk in de strafzaak (nl. de pleitnota), behoefde het hof niet te weerhouden van zijn constatering dat uit de stukken van de strafzaak de onschuld van de verdachte niet is gebleken, m.a.w. de onschuld is in de strafzaak in het midden gebleven. De slotsom is dat onderdeel 2 geen doel treft.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Rov. 1 in verbinding met rov. 2.1 - 2.6 van het vonnis in eerste aanleg.
2 Vaste rechtspraak, o.a. HR 9 oktober 1992, NJ 1994, 288, rov. 4.1; HR 13 november 1998, NJ 1999, 71, rov. 3.2; HR 22 september 2000, NJ 2000, 632.