ECLI:NL:PHR:2002:AD7801

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03316/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a ROWegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen veroordeling voor rijden onder invloed wegens onvoldoende motivering bloedonderzoek

Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld voor rijden met een te hoog alcoholgehalte in het bloed, met oplegging van een geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid. Namens verdachte werd cassatieberoep ingesteld tegen de motivering van de bewezenverklaring, met name over het bloedonderzoek.

Het middel stelde dat het bloedonderzoek niet aan de strikte waarborgen voldeed omdat het formulier vermeldde dat verdachte geen medicijnen had gebruikt, terwijl dit niet juist was. De Hoge Raad oordeelde dat het formulier niet algemeen vraagt naar medicijngebruik, maar specifiek naar aanwijzingen voor oorzaken van het gedrag van verdachte, zoals medicatie, in het kader van een aanvraag voor drugs- of medicijnonderzoek.

De Hoge Raad concludeerde dat het middel berust op een onjuiste lezing van het formulier en dat de motivering van het bloedonderzoek toereikend is. Er was geen reden tot vernietiging, en het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens rijden met te hoog alcoholgehalte blijft gehandhaafd.

Conclusie

Mr. Fokkens
Nr. 3316/00
Zitting 18 december 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is op 13 april 2000 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens rijden met een te hoog alcoholgehalte in het bloed, veroordeeld tot een geldboete van twaalfhonderd gulden, te vervangen door 24 dagen hechtenis. Tevens is verdachte de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twaalf maanden.
2. Namens verdachte hebben mrs. J.M. Sjöcrona en D.V.A. Brouwer, advocaten te 's-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring. Het Hof zou ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, bewezen hebben verklaard dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed "bij een onderzoek" 1.57 milligram per milliliter bloed bleek te zijn, nu een van de strikte waarborgen ten aanzien van het bloedonderzoek niet zou zijn nageleefd.
4. Uit de toelichting blijkt dat het gebrek hier in zou bestaan dat het formulier 'aanvraag van de bepaling van alcohol en/of andere stoffen in bloed' ten onrechte vermeldt dat verdachte geen medicijnen heeft gebruikt, terwijl ter terechtzitting is aangevoerd - en door verdachte ook bij de politie is verklaard - dat zij op de betreffende dag diverse medicijnen had gebruikt.
5. Het middel faalt omdat het berust op een onjuiste lezing van het formulier. Het betreffende deel van het formulier vraagt eerst naar een aantal kenmerken van het door de arts waargenomen gedrag van de verdachte, zoals gang zeker/onzerk; gedrag beheerst/ontremd/suf etc. en vervolgs wordt de vraag gesteld of er aanwijzingen zijn voor bepaalde oorzaken van dat gedrag. Vervolgens wordt gevraagd in geval van aanvraag drugs/medicijn-onderzoek s.v.p. zoveel mogelijk informatie te verstrekken. Het gaat hier dus duidelijk om nadere informatie over aanwijzingen voor het bestaan van bepaalde oorzaken (waaronder medicatie) van het geconstateerde gedrag en een verzoek de gegevens omtrent het gedrag van de verdachte zo uitgebreid mogelijk op te geven, indien er moet worden gezocht naar het gebruik van drugs of medicijnen die de rijvaardigheid hebben beïnvloed. Van een algemene vraag naar gebruik van medicijnen is geen sprake.
6. Het middel kan worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal plv.
bij de Hoge Raad der Nederlanden,