ECLI:NL:PHR:2002:AD8503
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verkapte winstuitdeling en fiscale glijclausule in ruilovereenkomst
In deze zaak stond centraal de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1989 opgelegd aan belanghebbende, die tevens de enige aandeelhouder was van een BV. De Inspecteur stelde dat sprake was van een verkapte winstuitdeling via een ruilovereenkomst waarbij belanghebbende rechten uit diverse overeenkomsten aan de BV overdroeg, terwijl de BV een economische eigendom van onroerende zaken verschafte. De Inspecteur waardeerde deze rechten lager dan belanghebbende, wat leidde tot een correctie van ƒ 810.000.
Het Hof oordeelde dat de waarde van de rechten jegens derden grotendeels niet aannemelijk was gemaakt en dat de betalingen van de BV louter ten gerieve van belanghebbende waren gedaan, maar wees de boete wegens gebrek aan opzet af. De glijclausule in de ruilovereenkomst, die een aanvullende betaling bij gewijzigde waardering voorschrijft, werd door het Hof niet als belemmering voor de verkapte winstuitdeling gezien, omdat geen redelijke twijfel bestond over de belastbaarheid.
De Hoge Raad bevestigde dat een glijclausule alleen fiscaal effect heeft indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de fiscale gevolgen. Tevens werd het opzetbegrip toegelicht, waarbij kansopzet vereist is. Het Hof had terecht geoordeeld dat opzet niet was bewezen, ondanks de wanverhouding in de ruilovereenkomst. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat zowel het beroep van belanghebbende als van de Staatssecretaris ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag zonder boete.