ECLI:NL:PHR:2002:AD8739
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt interpretatie hinderwetvergunning en toepassing Interimwet meststoffen
In deze zaak is bewezen verklaard dat verdachte in 1995 op zijn varkenshouderijbedrijf opzettelijk de mestproductie heeft uitgebreid, in strijd met de geldende meststoffenwetgeving. De kern van het geschil betrof de interpretatie van de hinderwetvergunning uit 1984, waarin 1000 gespeende biggen werden vermeld. Verdachte stelde dat deze biggen als mestvarkens mochten worden meegeteld, terwijl het Openbaar Ministerie dit betwistte.
Het hof oordeelde dat de hinderwetvergunning uit 1984 uitsluitend betrekking had op fokvarkens en niet op mestvarkens, mede omdat de vergunningverlener in 1990 de vergunning moest aanpassen toen bleek dat ook mestvarkens werden gehouden. De uitzonderingsbepalingen van de Interimwet moesten restrictief worden uitgelegd, waarbij gespeende biggen niet automatisch als mestvarkens konden worden aangemerkt.
De verdediging voerde aan dat de uitzonderingsbepalingen van de Interimwet aan de hand van de Hinderwet moesten worden geïnterpreteerd en dat de biggen in de vergunning ook zelfstandige mestvarkens konden zijn. De Hoge Raad bevestigde echter dat de criteria van de Hinderwet leidend waren voor de vergunningverlening en dat de interpretatie van het hof juist was.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling van verdachte tot een geldboete wegens overtreding van de Meststoffenwet onverminderd blijft staan. De zaak benadrukt het belang van een restrictieve uitleg van uitzonderingen in milieuwetgeving en de strikte toepassing van vergunningvoorwaarden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens overtreding van de Meststoffenwet blijft in stand.