ECLI:NL:PHR:2002:AD8886
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijsuitsluiting niet vereist bij onvoldoende causaal verband met onrechtmatige huiszoeking
In deze zaak stond de vraag centraal of bewijs dat is verkregen na een onrechtmatige huiszoeking in de woning van verdachte en haar echtgenoot uitgesloten moet worden. De echtgenoot was veroordeeld voor drugshandel en het bezit van middelen op lijst II van de Opiumwet, waarbij een deel van het bewijs onrechtmatig was verkregen door een onrechtmatige huiszoeking op 27 augustus 1996.
Verdediging stelde dat het onderzoek naar uitkeringsfraude, waarop verdachte werd veroordeeld, onrechtmatig was gestart als gevolg van deze huiszoeking en dat het bewijs daarom uitgesloten moest worden. Het hof verwierp dit verweer omdat de verdenking van steunfraude was ontstaan tijdens het onderzoek naar de Opiumwet-delicten en het bewijs voor deze feiten niet onrechtmatig was verkregen.
De Hoge Raad bevestigde dat bewijsuitsluiting alleen aan de orde is indien aannemelijk is dat het bewijs uitsluitend door onrechtmatig opsporingshandelen is verkregen. Het hof mocht oordelen dat het bewijs ten aanzien van de uitkeringsfraude niet uitsluitend voortkwam uit de onrechtmatige huiszoeking. Ook het feit dat een kostganger werd aangetroffen bij de huiszoeking deed hieraan niet af, omdat deze persoon al lang op het adres stond ingeschreven.
De middelen van cassatie werden verworpen en de veroordeling van verdachte bleef in stand. De Hoge Raad benadrukte dat het causaal verband tussen onrechtmatigheid en bewijsuitsluiting afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor uitkeringsfraude blijft in stand.