ECLI:NL:PHR:2002:AD8953
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens opzettelijke overtreding van maximumtarieven Wet tarieven gezondheidszorg door oogartsenpraktijk
In deze zaak staat de vraag centraal of verdachte, een oogartsenpraktijk in de vorm van een eenmans-B.V., terecht is veroordeeld voor het in rekening brengen van tarieven zonder dat daarvoor een maximumtarief was vastgesteld, in strijd met de Wet tarieven gezondheidszorg (WTG).
De tenlastelegging betrof het in rekening brengen van oogheelkundige prestaties en neventarieven waarvoor geen maximumtarief was vastgesteld, in de periode van 1 mei 1995 tot en met 23 oktober 1996. Het hof had verdachte veroordeeld wegens opzettelijke overtreding van artikel 17b, tweede lid, WTG en een boete opgelegd.
De Hoge Raad constateert een misslag in de bewezenverklaring doordat het hof de kwalificatie van het bewezenverklaarde heeft verlaten en de bewezenverklaring onjuist heeft geformuleerd. De Hoge Raad herleest de bewezenverklaring zodanig dat de overtreding betrekking heeft op artikel 17b, eerste lid, WTG, namelijk het in rekening brengen van tarieven zonder dat een maximumtarief was vastgesteld. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor wat betreft de kwalificatie en strafoplegging, verbetert de kwalificatie en vermindert de straf, maar verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest, verbetert de bewezenverklaring en kwalificatie, vermindert de boete en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.