ECLI:NL:PHR:2002:AD9124
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bij arbeidsongeval aan boord van schip en toepassing art. 7:658 BW versus art. 391 WvK
Deze zaak betreft een arbeidsongeval aan boord van het baggerschip "Johanna Hendrika" waarbij eiser, kapitein van het schip, zijn been brak doordat zijn been verstrikt raakte in een tros die eigenmachtig door de tweede machinist was losgegooid. Eiser stelde De Branding aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad, nadat was vastgesteld dat geen arbeidsovereenkomst bestond tussen eiser en De Branding.
De rechtbank verklaarde Frans recht van toepassing en wees de vordering af. Het hof oordeelde dat indien de onrechtmatige daad door de tweede machinist was begaan, De Branding aansprakelijk was, maar kende geen schadevergoeding toe vanwege eigen schuld van eiser. Eiser stelde cassatie in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad besprak de uitsluiting van artikel 7:658 BW Pro (voorheen art. 1638x BW) voor kapiteins aan boord van schepen op grond van artikel 391 WvK Pro. De Raad concludeerde dat hoewel art. 7:658 BW Pro niet van toepassing is, de maatstaf van opzet of bewuste roekeloosheid bij het toerekenen van eigen schuld aan eiser wel moet worden gehanteerd. Het hof had dit niet correct toegepast en onvoldoende gemotiveerd, waardoor het arrest werd vernietigd en verwezen naar een ander hof.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen naar een ander gerechtshof voor hernieuwde beoordeling.