ECLI:NL:PHR:2002:AD9328
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 2:203 BW op rechtshandelingen in oprichtingsfase van besloten vennootschap
Eiseres Rotra Airfreight B.V. vorderde betaling van een bedrag van circa ƒ 30.073,12 van verweerders, die in eerste aanleg als vennootschap onder firma (v.o.f.) opereerden en later als besloten vennootschap (B.V.) werden ingeschreven. Rotra voerde uit dat zij expeditiewerkzaamheden had verricht voor de v.o.f. in de periode juli 1994 tot januari 1995. Verweerders betwistten de vordering en stelden een reconventionele vordering in wegens toerekenbare tekortkoming.
In hoger beroep voerden verweerders voor het eerst een beroep op artikel 2:203 BW Pro, dat betrekking heeft op rechtshandelingen verricht vóór de oprichting van een B.V. Het hof oordeelde dat de v.o.f. in oprichting feitelijk de B.V. was en dat de rechtshandelingen namens de B.V. waren verricht, waardoor het beroep op artikel 2:203 BW Pro slaagde. Het hof stelde tevens dat het verweer niet als gedekt verweer kon worden beschouwd, omdat het niet ondubbelzinnig was prijsgegeven in eerste aanleg.
Rotra stelde in cassatie dat het beroep op artikel 2:203 BW Pro als gedekt verweer had moeten worden beschouwd en dat het hof de eisen van een goede procesorde had geschonden door het verweer toe te laten. De Hoge Raad verwierp deze middelen, bevestigde dat het niet voeren van een verweer in eerste aanleg niet automatisch betekent dat het verweer in hoger beroep is prijsgegeven, en dat het hof het verweer terecht had toegelaten. Tevens werd geoordeeld dat het hof voldoende gemotiveerd had dat het beroep op artikel 2:203 BW Pro slaagde.
De Hoge Raad verwierp het beroep van Rotra en veroordeelde haar in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van Rotra werd verworpen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.