Conclusie
break-up feebegroot op € 650.000,-. De rechtbank wijst dat toe. De kerngrief in hoger beroep is dat de opzegging niet rechtsgeldig is, zodat de beëindigingsvergoeding niet verschuldigd is. Dat slaagt niet bij het hof; het rechtbankvonnis wordt bekrachtigd. Goglio komt hier in cassatie tegen op met een waaier aan klachten en SMQ stelt voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. In het principale cassatieberoep gaat het om de vraag of sprake was van een gedekt verweer (onderdeel 1), om de samenhang tussen de rechtsverhoudingen SMQ-Goglio en Qbig-Goglio (onderdeel 2), om de maatstaf voor beëindiging van duurovereenkomsten (onderdeel 3), (boete)matiging (onderdeel 4), schending van hoor en wederhoor (onderdeel 5) en de interpretatie door het hof van een Memorandum of Understanding tussen Goglio en een derde (onderdeel 6). In het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep speelt ook de vraag naar de samenhang tussen de rechtsverhoudingen SMQ-Goglio en Qbig-Goglio (onderdeel 1). Verder komt daar aan de orde of Goglio op een te laat moment een nieuwe grief heeft opgeworpen (onderdeel 2), of SMQ zich in bedoeld Memorandum of Understanding verplicht heeft tot opzegging (onderdeel 3) en of het hof ten onrechte art. 1019h Rv heeft toegepast (onderdeel 4).
Royalty fee and Minimum Royalty.From the Effective Date [25 juni 2010, A-G] and during the continuance of this Agreement until the termination (…) the Parties agree that the Licensee [Goglio, A-G] shall pay to SMQ, before the 30th of January of the year following each and all relevant calendar years: (1) a Royalty-fee based on an 8% royalty-rate (…) (2) a Minimum Royalty of 50.000 Euros for the prior calendar year. This Minimum Royalty to be paid after the end of each specific calendar year shall be non-refundable, however, it may be set off or deducted against the Royalty-fees due after that specific calendar year by the Licensee according to Article 3.b (1) of this Agreement: if and insofar the Royalty-fees exceeds 50.000 Euros. All amounts payable by the Licensee to SMQ shall be paid by wire transfer of Euros in immediately available funds to such financial institution and account number as SMQ may designate in writing to the Licensee. The Parties shall be entitled, upon prior agreement in writing duly signed by representatives of all the Parties for each specific case, to exceptionally define a royalty-rate, in punctual cases, different from the fixed royalty rate (8%) set forth in this Article 3.b in connection with the Royalty-fee to be paid by the Licensee to SMQ.
break up feevolgens art. 27 van Pro de licentieovereenkomst van € 750.000,- verminderd met de door Goglio betaalde minimum licentievergoedingen over 2010 en 2011 van twee keer € 50.000,-) en € 16.666,66 (minimum licentievergoeding teruggerekend over het tijdvak januari-april 2013), beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente.
break-up feedus niet is verschuldigd. Zij heeft subgrieven geformuleerd en deze voorzien van de letters A-I. Het hof zal daarvan eerst de subgrieven C en H bespreken, die zien op het moment waarop de 60-dagen termijn van art. 26 van Pro de licentie-overeenkomst is begonnen te lopen en de tijdigheid van de betaling op 23 april 2013. Daarbij zal het hof ook betrekken hetgeen door Goglio is gesteld in de akte van 24 maart 2015 onder 3, te weten dat Goglio het standpunt dat de 60-dagen termijn al op 10 april 2013 was geëindigd niet ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Dat is immers, anders dan SMQ aanvoert, geen nieuwe grief, maar een toelichting op en uitwerking van de grieven op dat punt.
Het is duidelijk dat Goglio de licentievergoeding te laat heeft betaald. Er is sprake van een tekortkoming aan de kant van Goglio. De zaak is misgelopen doordat binnen Goglio een informatieachterstand bestond na het vertrek van…”. SMQ wijst er voorts op dat de rechtbank aan partijen de gelegenheid heeft geboden binnen een door haar vastgestelde termijn onjuistheden of onvolkomenheden in het proces-verbaal (dat buiten aanwezigheid van partijen was opgemaakt) aan de orde te stellen. Goglio heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Goglio kan nu op die erkenning in rechte, die de rechtbank ook tot uitgangspunt heeft genomen voor de feitelijke vaststelling in het vonnis en de daaraan in de overwegingen te verbinden conclusies, niet in appel terugkomen.
daarvoor is uitsluitend plaats indien uit deze proceshouding ondubbelzinnig voortvloeit dat het desbetreffende verweer is prijsgegeven.Of, in de iets recentere bewoordingen van de procureur-generaal in zijn door de Hoge Raad gevolgde conclusie voor het arrest van 22 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD9328):
Alleen als verweerder, oorspronkelijk gedaagde, bewust, willens en wetens, (uitdrukkelijk of stilzwijgend) afstand heeft gedaan van het recht om een bepaald verweer te voeren, is het verweer gedekt.
break-up fee. Dat sprake is van samenhang tussen haar verhouding met SMQ en haar verhouding met Qbig, zoals Goglio betoogt, staat op zichzelf vast, nu de licentie-overeenkomst een drie partijen-overeenkomst is. Voorts staat niet ter discussie dat Goglio in februari/maart 2013 een betalingsverplichting had jegens SMQ en dat Qbig toen, tegelijk, een betalingsverplichting had jegens Goglio (slechts de omvang van die laatste is in geschil). Dat alles kan Goglio echter niet baten. Uit de licentie-overeenkomst blijkt immers duidelijk dat die betalingsverplichtingen los van elkaar moeten worden gezien. De toelichting van SMQ op dat punt, te weten dat onder een eerdere overeenkomst ook reeds problemen rond de betaling van de licentievergoeding waren ontstaan, dat SMQ liquiditeiten nodig had om de octrooien in stand te houden, dat tussen SMQ [5] en Qbig ook een andere overeenkomst gold waar SMQ niets mee van doen had en dat partijen daarom bewust de afspraak hadden gemaakt om de betalingsverplichtingen van Goglio aan SMQ los te koppelen van die van Qbig aan Goglio, heeft Goglio niet deugdelijk weersproken. Zij heeft weliswaar gesteld dat zij SMQ niet kon betalen als Qbig haar niet betaalde, maar dat heeft zij tegenover de stelling van SMQ dat Goglio deel uitmaakt van een groot internationaal opererend concern en dat uit de betaling op 23 april 2013 blijkt dat zij kennelijk wel over voldoende middelen beschikte, niet met enig relevant bewijsstuk onderbouwd. Daarbij komt dat, in beginsel, het niet beschikken over liquide middelen geen geldige reden is om af te zien van betaling. Dat Goglio het onwenselijk vond om SMQ te betalen zonder dat zij zeker wist of Qbig haar, Goglio, wel zou betalen is gelet op de wijze waarop de overeenkomst is ingericht onvoldoende voor een te honoreren beroep op opschorting. Het verband tussen haar verplichting jegens SMQ en de verplichting van Qbig jegens haar was daarvoor niet nauw genoeg.
substantial).
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen rov. 3.5 en 3.6 waarin het hof heeft geoordeeld dat het verweer van Goglio dat de 60-dagentermijn pas op 26 maart 2013 was aangevangen zodat zij niet te laat had betaald een gedekt verweer is. Het hof baseert zich daarbij op ter comparitie gedane uitlatingen zijdens Goglio, die zo in het proces-verbaal zijn verwoord:
subonderdeel 1.2is dat
de rechtbankde uitlatingen van Goglio ter zitting zo heeft uitgelegd dat zij heeft laten varen haar standpunt dat geen sprake zou zijn van een tekortkoming, dan wel dat de tekortkoming tijdig zou zijn hersteld. Nu het enkele laten varen van een standpunt nog geen prijsgave van een op dat standpunt gebaseerd verweer behelst, heeft
het hofde hiervoor bedoelde maatstaf volgens deze klacht miskend. De motiveringsklacht van het subonderdeel is dat indien het hof dit niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat dit niet kan worden gedragen door de enkele vaststelling dat Goglio een met dit verweer corresponderend standpunt heeft laten varen.
de rechtbankde uitlatingen van Goglio op de comparitie zo heeft uitgelegd dat Goglio haar standpunt dat geen sprake zou zijn van een tekortkoming of dat de tekortkoming tijdig zou zijn hersteld ‘heeft laten varen’. Daarmee miskent het subonderdeel dat
het hof(door feitelijke uitleg) in rov. 3.6 heeft vastgesteld dat Goglio ter zitting ‘ondubbelzinnig en expliciet erkende dat zij te laat had betaald
en dushet verweer dat de 60-dagentermijn pas op 26 maart was aangevangen zodat zij niet te laat had betaald, onmiskenbaar prijsgaf’ [cursivering A-G]. Het oordeel van het hof is er dus niet op gebaseerd dat Goglio haar standpunt heeft laten varen, maar op de hiervoor in 2.2 genoemde maatstaf voor een gedekt verweer. Daarmee is de grond aan de klachten komen te ontvallen, die zodoende niet tot cassatie kunnen leiden.
ondubbelzinnigvoortvloeide dat zij het verweer dat de 60-dagentermijn pas op 26 maart was aangevangen heeft prijsgegeven, want (zo begrijp ik deze klacht, mede gelet op de s.t. zijdens Goglio onder 4.8) de erkenning dat te laat is betaald is voor tweeërlei uitleg vatbaar:
ondubbelzinnigmoet blijken dat een verweer is prijsgegeven (namelijk: doordat die erkenning voor meer uitleg vatbaar is). Gelet op de geboden terughoudendheid bij het aannemen van een gedekt verweer, geeft dat laatste voor mij hier toch de doorslag: niet ondubbelzinnig (genoeg), is dan het eindoordeel. Het is maar hoe strak de cassatierechter hier de controleteugel wil hanteren – denkelijk streng vanwege het ondubbelzinnigheidsvereiste – ook al zie ik Goglio’s standpunt dat de 60 dagen termijn pas op 26 maart 2013 in plaats van 7 februari 2017 is gaan lopen, gelet op de bewoordingen van de sommatie van 6 februari 2013 (waarop daags erna is gereageerd door Goglio) en de tekst van de ingeroepen contractuele bepalingen, als niet in redelijkheid vol te houden (de rechtbank kwam tot hetzelfde oordeel in rov. 4.4). Dat vergt evenwel een feitelijke beoordeling waarvoor mij verwijzing nodig lijkt; het hof is daar immers niet aan toegekomen, omdat het dit als een gedekt verweer beschouwde. Het gaat te ver om op grond van deze inschatting te komen tot het oordeel dat belang bij cassatie op dit punt ontbreekt, omdat de rechter naar wie verwezen wordt dit standpunt vermoedelijk zal afwijzen. Die rechter zal dit nog feitelijk-inhoudelijk dienen te beoordelen.
subonderdeel 1.4heeft het hof miskend dat het achterwege blijven van een verzoek van Goglio tot aanpassing van het proces-verbaal niet afdoet aan het feit dat het hof om de in de voorgaande subonderdelen genoemde redenen niet tot de conclusie had kunnen komen dat Goglio het verweer heeft prijsgegeven dat de 60-dagentermijn pas op 26 maart was aangevangen. Ditzelfde geldt, aldus het onderdeel, voor de opmerking van het hof dat Goglio dit verweer bij het eerdere kort geding niet heeft gevoerd.
non sequituren bij slagen van subonderdeel 1.3 slaagt deze klacht dan ook. Dat behoeft geen nadere bespreking.
subonderdeel 1.5klaagt dat voor zover het hof, met de overweging dat de mogelijkheid om in appel eigen misslagen in eerste aanleg te herstellen niet zo ver gaat dat ‘hierop’ teruggekomen kan worden, een lichtere maatstaf voor ogen heeft gehad dan die in de voorafgaande subonderdelen is ingeroepen, dit onjuist is. Verder bevat het subonderdeel de klacht dat voor zover het hof zijn oordeel (ook) op (processuele) rechtsverwerking of strijd met de goede procesorde heeft willen baseren, de juiste maatstaf is miskend, of de enkele verwijzing naar de verklaring van Goglio ter comparitie dat oordeel niet kan dragen.
tweede onderdeelziet op het oordeel van het hof over de driepartijenverhouding van Goglio, SMQ en Qbig in rov. 3.7. Het hof oordeelt hier dat er sprake is van samenhang tussen de verhouding Goglio-SMQ en Goglio-Qbig, maar dat de betalingsverplichtingen van Goglio jegens SMQ en van Qbig jegens Goglio los van elkaar moeten worden gezien en dat de toelichting op dat laatste punt van de kant van SMQ door Goglio niet deugdelijk is weersproken.
SMQen QBig ook een andere overeenkomst gold’ moet natuurlijk luiden: ‘dat tussen
Goglioen QBig ook een andere overeenkomst gold’. [cursivering A-G]. Alleen al taalkundig struikelt de lezer als het ware meteen over die verschrijving. Zo begrepen lijkt mij door het hof helemaal niet miskend wat door Goglio aan haar stellingen ten grondslag is gelegd. De inhoudelijke beoordeling dat door Goglio niet deugdelijk is weersproken SMQ’s toelichting dat en waarom de respectieve betalingsverplichtingen uit die wederzijdse relaties los van elkaar moeten worden gezien, is feitelijk van karakter en de vervolgklachten zijn in wezen een poging de gemaakte feitelijke afweging over en anders te doen, maar daarvoor is in cassatie geen plaats.
Het is voor ons echt essentieel dat er geen betalingen aan SMQ worden gebruikt om Qbig rechtstreeks te vereffenen’(MvG onder 9). Dat het hof de stelling onder d niet uitdrukkelijk bij de beoordeling heeft betrokken, kan het hof dan ook niet met recht worden tegengeworpen.
derde onderdeelziet op de maatstaf die het hof heeft aangelegd bij de beoordeling van de vraag of SMQ de licentieovereenkomst kon opzeggen en richt zich daarmee tegen rov. 3.8.
derogerendewerking van de redelijkheid en billijkheid. Immers ook als wel in een opzegregeling is voorzien, kan de
aanvullendewerking van de redelijkheid en billijkheid aan opzegging (zonder zwaarwegende grond, of op een bepaald moment of zonder aanbod tot betalingen van (schade)vergoeding) in de weg staan. Indien het oordeel van het hof is gebaseerd op het beroep van Goglio op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, dan heeft het hof miskend dat het verplicht was de rechtsgronden aan te vullen, zo besluit dit subonderdeel.
aanvullendewerking van de redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden niet zonder meer mogelijk zijn. Het hof lijkt dus formeel uit te zijn gegaan van een onvolledige maatstaf [15] .
aanvullendewerking van de redelijkheid en billijkheid in dit geval niet kon worden opgezegd volgens de opzeggingsmodaliteiten. Anders gezegd is de vraag of het hof
materieelwel van de juiste maatstaf is uitgegaan.
subonderdeel 3.2aan dat Goglio zich op het volgende heeft beroepen:
substantialen contractuele termijnen als zodanig niet af aan de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid in het licht van de overige ingeroepen omstandigheden van het geval.
vierde onderdeelis gericht tegen rov. 3.10, waarin het hof het beroep van Goglio op matiging van de boete (de
break-up fee) heeft afgewezen.
subonderdeel 4.2het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doordat het hof deze omstandigheden niet (kenbaar) bij de beoordeling heeft betrokken. Dat het beroep op deze omstandigheden op zichzelf onvoldoende is onderbouwd, valt volgens de klacht niet in te zien.
subonderdeel 4.3klaagt Goglio dat zij zich bij pleidooi in hoger beroep [24] er op heeft beroepen dat SMQ met de ‘koper van de licenties’ [A] is overeengekomen dat zij de boete zouden verdelen en dat SMQ haar geheimhoudingsplicht uit de licentieovereenkomst heeft geschonden (onder verwijzing naar het zittingsp-v van 7 december 2015, p. 2). Omdat Goglio pas ter zitting kennis heeft kunnen nemen van het MoU (tussen SMQ en [A]) waaruit deze feiten blijken, mocht het hof op dit punt geen verdere onderbouwing van de stellingen van Goglio vergen, zodat het oordeel van het hof dat Goglio haar beroep op de billijkheid onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd, onjuist of onbegrijpelijk is, aldus deze klacht.
zeer uitzonderlijke gevalvoordoet dat de billijkheid matiging van de boete eist. Het is opnieuw een element dat het hof heeft meegewogen, maar kennelijk te licht bevonden en dat is feitelijk en niet onbegrijpelijk (en al helemaal niet onjuist).
subonderdeel 4.5klaagt dat het hof de bewijslast verkeerd heeft verdeeld blijkens rov. 3.13. Het hof heeft miskend dat SMQ zich in deze procedure beroept op de rechtsgevolgen van haar opzegging, zodat op haar stelplicht en bewijslast rusten ter zake van de rechtsgeldigheid van de opzegging. Nu de stelling van Goglio dat de opzegging voor haar ernstige gevolgen heeft in dat kader een motivering vormt van haar betwisting van de stelling van SMQ dat de opzegging rechtsgevolg heeft, mocht het hof op haar hooguit de last leggen om tegenbewijs te leveren.
vijfde onderdeelziet op het eerst bij pleidooi in appel door SMQ op bevel van het hof overgelegde MoU.
onder 5.1over schending van hoor en wederhoor: het hof heeft miskend dat de rechter slechts mag beslissen aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven. Goglio heeft pas ter zitting van dit stuk kennis kunnen nemen en gelegenheid gekregen zich hierover uit te laten, waarna de behandeling is gesloten.
onder 5.2. Het gaat om een stuk in het Engels van meerdere pagina’s met een juridisch-technisch karakter, terwijl van de Italiaanse vertegenwoordigers van Goglio moest worden verondersteld dat zij het Engels beperkt machtig waren en er naar de aard beperkte kennisname en overleg mogelijk was.
onder 5.3dat het hof heeft miskend dat uit het arrest of proces-verbaal moet blijken dat het er op heeft gelet dat voldaan is aan de eis dat Goglio voldoende kennis heeft kunnen nemen van het MoU en zich daarover heeft kunnen uitlaten. In het bijzonder blijkt niet hoe lang de schorsing heeft geduurd, onder welke omstandigheden de schorsing heeft plaatsgevonden en of aan Goglio is gevraagd of zij op deze wijze voldoende op het stuk heeft kunnen reageren.
zesde onderdeelklaagt over het oordeel van het hof over de inhoud van het MoU en richt zich daarmee tegen rov. 3.11 en 3.12.
onder 6.2allereerst dat het oordeel van het hof in rov. 3.11 dat uit het MoU niet blijkt dat de verkoop van IE-rechten aan [A] al voor de ingebrekestelling van 6 februari 2013 werd voorbereid onbegrijpelijk is, nu de e-mailwisseling waarvan het MoU een bijlage is dateert van 13/14 februari 2013 en daarin is opgenomen dat ‘het even heeft geduurd’ voordat het stuk is getekend, dat sprake is geweest van ‘obstakels’ en dat in deze e-mailswisseling wordt verwezen naar een eerdere ‘handshake’.
het Memorandum of Understandingniet blijkt dat de verkoop van IE-rechten aan [A] al voor de ingebrekestelling van 6 februari 2013 werd voorbereid. Dat oordeel is feitelijk niet onjuist en daarmee ook niet onbegrijpelijk. In
de e-mailwisselingwaarnaar het onderdeel refereert is inderdaad opgenomen wat de klacht aanhaalt. Dat baat Goglio echter niet, reeds omdat niet blijkt dat door Goglio ter onderbouwing van haar standpunt dat de verkoop van de IE-rechten al voor de ingebrekestelling werd voorbereid naar deze e-mailwisseling is verwezen. De cassatiedagvaarding noemt in ieder geval geen vindplaatsen van een dergelijke stellingname. Het hof hoefde derhalve geen acht te slaan op de inhoud van de e-mailwisseling. Bovendien is het oordeel van het hof ook niet onbegrijpelijk als de inhoud van de e-mailwisseling wél bij de beoordeling wordt betrokken. Tussen de ingebrekestelling van 6 februari 2013 en de e-mailwisseling van 13 en 14 februari 2013 zit immers een week, zodat niet valt uit te sluiten dat de eerdere ‘handshake’ (daags) na de ingebrekestelling heeft plaatsgevonden en het daarna ‘even heeft geduurd’ door ‘obstakels’, zodat het MoU zelf niet eerder dan een week nadien is getekend.
subonderdeel 6.2dat het oordeel in rov. 3.11 dat uit het MoU niet blijkt dat de opzegging van de licentieovereenkomst enige rol heeft gespeeld bij de verkoop van de IE-rechten onbegrijpelijk is. Dit omdat het MoU op verschillende plaatsen melding maakt van de contractuele rechtspositie van Goglio ten aanzien van de octrooien en de relevantie daarvan voor een transactie tussen SMQ en [A].
Gogliogebruik maakt van haar recht om de licentieovereenkomst op te zeggen (onder 6). Het oordeel van het hof is dan ook niet onbegrijpelijk.
3.Bespreking van het (voorwaardelijke) incidentele cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen het oordeel in rov. 3.7 dat vaststaat dat sprake is van samenhang tussen de verhouding van Goglio met SMQ en de verhouding van Goglio met Qbig, nu de licentieovereenkomst een driepartijenovereenkomst is. Volgens het onderdeel is dit oordeel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk. Het onderdeel werkt dit uit in diverse subonderdelen.
onder 1.2delen het lot van het voorgaande subonderdeel, nu dit in feite dezelfde klachten betreffen, maar dan verpakt als motiveringsklachten.
tweede onderdeelklaagt dat het hof ten onrechte de (inhoud van het) MoU bij de beoordeling heeft betrokken, althans dat dit onbegrijpelijk is. Het onderdeel werkt dit uit in diverse subonderdelen.
subonderdeel 2.1.b.
onder 2.2.a, kort gezegd, dat het oordeel van het hof in strijd is met de twee conclusie-regel (de onder 2.1 bedoelde stellingen zijn ten onrechte niet als nieuwe groef aangemerkt) en dat voor zover het hof van oordeel was dat SMQ kon worden geacht zich niet te verzetten tegen de nieuwe grief bij pleidooi (een erkende uitzondering op de twee-conclusieregel), dat oordeel onbegrijpelijk is,
subonderdeel 2.2.b.
derde onderdeelricht zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.12
in passingdat SMQ op zichzelf belang had bij de opzegging omdat zij zich jegens [A] als koper van de octrooien tot opzegging had verplicht. Volgens het onderdeel is dit oordeel ten onrechte gegeven en bovendien onbegrijpelijk.
subonderdeel 3.1naar voren dat zij bij herhaling heeft gesteld (MvA 79, 88, 99 e.v., 121 e.v., antwoordakte 7 december 2015 17 t/m 36, 38 t/m 41, plta h.b. 24 t/m 28) dat zij zich op grond van het MoU niet had verplicht om de licentieovereenkomst met Goglio op te zeggen, maar dat SMQ en [A] deze juist wilden voortzetten (en zij inkomsten zou mislopen
du moment[A] de licentie zou overnemen en Goglio de licentie zou opzeggen). Dit strookt ook met de inhoud van het MoU. Het oordeel van het hof is bovendien innerlijk tegenstrijdig met de vaststelling dat de verkoop aan [A] ten tijde van de ingebrekestelling nog niet was voorbereid en dat opzegging van de licentieovereenkomst daarbij geen rol heeft gespeeld.
heeft gebaseerd op het MoU, blijkt niet uit het arrest. Het partijdebat in hoger beroep is er over gegaan of de
Assignment Agreement(de uiteindelijk tussen SMQ en [A] gesloten overeenkomst tot overdracht van de octrooien c.a., gedateerd op 4 maart 2014 – bijna een jaar na de opzegging van de licentieovereenkomst) een dergelijke verplichting voor SMQ in het leven riep. Zie p. 5 van de akte van Goglio van 7 december 2015, waar deze stelling wordt geponeerd en de akte van SMQ van 7 december 2015 onder 32, waar dit wordt betwist (moeilijk valt in te zien hoe een overeenkomst tot een opzegging kan verplichten die al een jaar eerder heeft plaatsgevonden). Voor zover het onderdeel aanneemt dat het oordeel van het hof is gebaseerd op het MoU, mist het dan ook feitelijke grondslag.
Assignment Agreement. In het MoU is een dergelijke verplichting niet terug te vinden. Door SMQ is juist bij herhaling gesteld dat octrooien mét een licentieovereenkomst meer waard zijn dan zonder een dergelijke licentieovereenkomst en dat zij dus nadeel heeft ondervonden van het opzeggen van de licentieovereenkomst [28] . Dit alles maakt dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, het oordeel van het hof op zich niet begrijpelijk is op dit punt.
vierde onderdeelklaagt dat het hof ten onrechte ambtshalve toepassing heeft gegeven aan art. 1019h Rv en de indicatietarieven in IE-zaken door in het dictum een bedrag van € 15.580,- voor salaris advocaat te bepalen (onder a). Het hof heeft hiermee volgens het onderdeel miskend dat art. 1019h Rv hier toepassing mist (onder b).