ECLI:NL:PHR:2002:AD9341
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht en bewijslevering bij betwisting van ondertekende onderhandse overeenkomst
In deze zaak gaat het om een geschil tussen verkoper en kopers van een café-restaurant over de betaling van een bedrag op grond van een onderhandse overeenkomst naast een notariële akte. De kopers betwisten het bestaan en de ondertekening van deze onderhandse overeenkomst. De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de verkoper bewijs moet leveren dat de kopers de onderhandse akte hebben ondertekend, mede op grond van art. 186 lid 2 oud Pro Rv.
De Hoge Raad bespreekt of het hof terecht de verkoper heeft toegelaten tot bewijslevering ondanks de stellige ontkenning van de kopers. Het hof heeft de betwisting als stellige ontkenning aangemerkt en de verkoper de bewijslast opgelegd, wat volgens de Hoge Raad juist is. Daarnaast is besproken of de bewijslast omgekeerd had moeten worden, maar dit is niet aan de orde omdat de verkoper dit niet in hoger beroep heeft aangevoerd.
De Hoge Raad wijst ook op het onderscheid tussen het bewijs van ondertekening en het bewijs van de inhoud van de akte. Pas wanneer de ondertekening is bewezen, kan de verkoper een beroep doen op de bewijsregel van art. 184 lid 2 juncto Pro art. 178 oud Pro Rv. De klacht dat het hof dit niet duidelijk heeft gemaakt, faalt omdat het hof de zaak procesefficiënt heeft behandeld. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.