ECLI:NL:PHR:2002:AD9712
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over terugwerkende kracht en rechtszekerheidsbeginsel bij omzetbelasting vruchtgebruik
De zaak betreft een geschil over een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 april tot 30 juni 1995, waarbij Stichting 'De Goede Woning' een recht van vruchtgebruik had gevestigd op nieuwbouwwoningen tegen een vergoeding lager dan de kostprijs. De Inspecteur had de voorbelasting nageheven, waarna het Hof Arnhem oordeelde dat de naheffing terecht was, mede omdat de Stichting met belanghebbende werd vereenzelvigd. De Hoge Raad vernietigde deze vereenzelviging en stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG).
Het HvJ EG oordeelde dat de nationale wetgever zakelijke rechten zoals vruchtgebruik slechts als levering mag aanmerken als de vergoeding ten minste gelijk is aan de economische waarde van het onroerend goed. De Hoge Raad concludeerde dat de vestiging van het recht van vruchtgebruik in dit geval niet als levering kan worden aangemerkt en dat de terugwerkende kracht van de Wet van 18 december 1995 niet strijdig is met de Zesde richtlijn.
Er bestaat echter twijfel of de terugwerkende kracht van deze wet verenigbaar is met het communautaire rechtszekerheidsbeginsel, mede gelet op arresten van het HvJ EG zoals Schloßstraße en Belgocodex. De Hoge Raad overweegt dat het vertrouwen van belanghebbende niet onrechtmatig is geschaad, maar dat de juridische vraag complex is en mogelijk nadere prejudiciële vragen aan het HvJ EG vereist.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dan ook om de zaak opnieuw te schorsen en het HvJ EG om verduidelijking te vragen over de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel op de terugwerkende kracht van fiscale wetgeving. Tevens bespreekt de conclusie de leer van de bindende eindbeslissingen en de mogelijkheid voor de Hoge Raad om eerdere oordelen te herzien in het licht van het EG-recht.
Uitkomst: De zaak wordt geschorst en de Hoge Raad wendt zich opnieuw tot het HvJ EG voor verduidelijking over het rechtszekerheidsbeginsel bij terugwerkende fiscale wetgeving.