ECLI:NL:PHR:2002:AE1534
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over omzetting en inning van alimentatie na meerderjarigheid kind
In deze zaak staat de uitleg centraal van een alimentatiebeschikking van de Rechtbank te Dordrecht uit 1983, waarbij eiser een bijdrage moest betalen ten behoeve van zijn minderjarige zoon. Na het meerderjarig worden van de zoon in 1993 ontstond discussie over de voortzetting van deze betalingsverplichting, mede door een wijzigingsbeschikking uit 1994 die de alimentatie voor de periode tot de meerderjarigheid op nihil stelde.
Eiser stelde dat hij na de meerderjarigheid geen bijdrage meer verschuldigd was en dat het LBIO onrechtmatig handelde door executiemaatregelen te treffen. De Rechtbank oordeelde aanvankelijk in het voordeel van eiser, maar het Gerechtshof vernietigde dit en stelde dat de betalingsverplichting voortduurde op grond van wettelijke omzetting volgens art. 1:395b BW.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof. De omzetting van alimentatie bij meerderjarigheid vindt van rechtswege plaats en blijft gelden ondanks de wijzigingsbeschikking die alleen betrekking had op de periode voor meerderjarigheid. Het LBIO handelde niet onzorgvuldig door inning voort te zetten, ook al had de zoon geen zelfstandig verzoek ingediend. Klachten over schending van het fair trial-beginsel en verjaring werden verworpen. De vordering van het LBIO tot betaling van studiekosten werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat eiser verplicht is bij te dragen in de kosten van studie en levensonderhoud van zijn meerderjarige zoon en dat het LBIO gerechtigd was deze bijdrage te innen.