ECLI:NL:PHR:2002:AE1756
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitlevering op grond van territoriale rechtsmacht VS bij conspiracy met buitenlandse overt acts
De zaak betreft het cassatieberoep tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam die de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toestond ter vervolging wegens conspiracy tot invoer van MDMA. De verdediging voerde aan dat niet was voldaan aan artikel 9 lid 2 onder Pro e van het uitleveringsverdrag, omdat de VS geen wetsbepalingen hadden overgelegd die rechtsmacht toekennen indien het strafbare feit buiten het grondgebied van de VS was gepleegd.
De rechtbank had vragen gesteld over de rechtsmacht van de VS, waarop werd geantwoord dat de VS rechtsmacht hebben omdat het delict in de VS plaatsvond, ook al waren sommige handelingen buiten de VS verricht. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 9 lid 2 onder Pro e alleen van toepassing is indien de verzoekende staat geen territoriale rechtsmacht heeft. Omdat de VS op grond van het territorialiteitsbeginsel rechtsmacht heeft, is het niet nodig dat zij wetsbepalingen overleggen voor buitenlands gepleegde feiten.
De Hoge Raad verwierp ook de klacht dat de rechtbank de stukken ongenoegzaam had verklaard vanwege onvoldoende beantwoorde vragen. Het oordeel van de rechtbank dat de stukken genoegzaam zijn, wordt niet onbegrijpelijk geacht en kan in cassatie niet worden getoetst. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen en de uitlevering blijft toelaatbaar.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan de Verenigde Staten blijft toelaatbaar.