ECLI:NL:PHR:2002:AE2179
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van Minoxidil als geneesmiddel en gezag van gewijsde bodemprocedure
In deze zaak staat centraal of de kortgedingrechter zich moet richten naar het onherroepelijke oordeel van de bodemrechter dat Minoxidil als geneesmiddel moet worden aangemerkt volgens het toedieningscriterium van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WGV).
De feiten betreffen een langdurige procedure tussen Upjohn, producent van Regaine, en eiser, die een lotion met dezelfde werkzame stof (2% minoxidil) op de markt bracht. Na eerdere bodemprocedures en diverse uitspraken, waaronder een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, is onherroepelijk vastgesteld dat Minoxidil een geneesmiddel is.
De Hoge Raad oordeelt dat de kortgedingrechter gebonden is aan het gezag van gewijsde van de bodemprocedure en dat het hof Arnhem terecht het oordeel van de bodemrechter heeft gevolgd. Het cassatiemiddel dat het hof Arnhem het toedieningscriterium onvoldoende zelfstandig heeft toegepast, wordt verworpen. Ook is geen sprake van een klaarblijkelijke misslag die een uitzondering op het primaat van de bodemprocedure zou rechtvaardigen.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarmee het oordeel dat Minoxidil een geneesmiddel is definitief blijft staan en de kortgedingprocedure dienovereenkomstig moet worden beoordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel dat Minoxidil een geneesmiddel is blijft onherroepelijk gelden.