ECLI:NL:PHR:2002:AE4436
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik ondanks beschikbaarheid alternatieve woning
Deze zaak betreft de vraag of een verhuurder een huurovereenkomst kan opzeggen wegens dringend eigen gebruik wanneer hij weliswaar een andere woning bezit, maar deze als minder geschikt beschouwt. De verhuurder had een woonhuis met landbouwschuur verhuurd aan de huurders sinds eind jaren vijftig. Na het overlijden van de vader van de verhuurder zette de verhuurder de huurovereenkomst voort. De verhuurder zegde de huurovereenkomst op met het oog op dringend eigen gebruik, omdat hij zijn grote woning niet langer kon onderhouden en deze wilde uitbesteden.
De huurders betwistten dit en stelden dat de verhuurder een andere woning, het Vriezenhuisje, beschikbaar had die geschikt was voor bewoning. De verhuurder voerde aan dat deze woning te klein was en dat het financieel ongunstig zou zijn om daar te gaan wonen. De rechtbank stelde vast dat de verhuurder het gehuurde dringend nodig had voor eigen gebruik en dat het aan de verhuurder was om te kiezen welke woning hij wilde gebruiken, mits deze keuze niet onredelijk was jegens de huurders.
De huurders gingen in hoger beroep en betwistten onder meer de geschiktheid van het Vriezenhuisje. De rechtbank oordeelde uiteindelijk dat het Vriezenhuisje vrij beschikbaar was en dat de verhuurder niet vrij stond om de huurovereenkomst op te zeggen omdat hij het Vriezenhuisje reeds aan derden had verhuurd. De Hoge Raad bevestigde dat de verhuurder niet onredelijk handelt wanneer hij kiest voor beëindiging van de huurovereenkomst ondanks het bezit van een andere woning, mits deze keuze niet onbehoorlijk is jegens de huurder. De klachten van de verhuurder werden verworpen en het vonnis van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verhuurder wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank bevestigd.