ECLI:NL:PHR:2002:AE5164
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vorderingen Joegoslavische militairen tegen Nederlandse Staat inzake NAVO-luchtaanvallen
In deze zaak vorderden zeven Joegoslavische militairen, die tijdens de NAVO-luchtacties van maart tot juni 1999 in actieve dienst waren, dat de Nederlandse Staat zich zou onthouden van verdere militaire acties tegen de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ) en dat zij een immateriële schadevergoeding zouden ontvangen wegens de dreiging van hun leven en welzijn.
De President van de Rechtbank te 's-Gravenhage wees deze vorderingen af, waarna het Gerechtshof dit vonnis bij arrest van 23 november 2000 bekrachtigde. Het Hof oordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak omdat de NAVO-acties inmiddels waren beëindigd en dat de eisers onvoldoende persoonlijke omstandigheden hadden gesteld om immateriële schadevergoeding toe te kennen.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de vorderingen niet toewijsbaar zijn. Het Hof heeft de stelplicht van eisers correct toegepast en de internationale mensenrechtenverdragen en het Handvest van de Verenigde Naties zijn niet van toepassing op individuele personen in deze context. Ook het beroep op het Handvest van Neurenberg en het Wet oorlogsstrafrecht faalt. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee het arrest van het Hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de eisers wordt verworpen en de vorderingen tegen de Staat worden afgewezen.