ECLI:NL:PHR:2002:AE7385
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken middelen van cassatie
In deze zaak is verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en heeft hij cassatieberoep ingesteld. De kern van het cassatieberoep betreft een klacht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, zonder dat middelen tegen de bestreden uitspraak zijn ingediend.
De Wet van 28 oktober 1999 introduceerde een verplichting voor de verdachte om binnen twee maanden na aanzegging door een advocaat een schriftuur met middelen van cassatie in te dienen, op straffe van niet-ontvankelijkheid. De conclusie benadrukt dat deze eis is bedoeld om ongegronde cassatieberoepen te weren en de werklast van de Hoge Raad te beperken.
De klacht over de overschrijding van de redelijke termijn richt zich niet tegen de bestreden uitspraak zelf, maar tegen de procedure in cassatie. De conclusie stelt dat een schriftuur zonder middelen tegen de uitspraak niet voldoet aan de wettelijke vereisten, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. Alleen indien ook middelen tegen de uitspraak worden ingediend, kan de Hoge Raad de zaak inhoudelijk behandelen en eventueel de redelijke termijntoets toepassen.
Uitzonderingen worden besproken, zoals verjaring of overlijden van de verdachte, waarbij ontvankelijkheid wel kan worden aangenomen. De conclusie adviseert de Hoge Raad om verdachte niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep te verwerpen indien anders wordt geoordeeld.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van middelen tegen de bestreden uitspraak.