ECLI:NL:PHR:2002:AE7634
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor overtreding Ontgrondingenwet wegens illegale dijkafgraving
Verzoeker werd door het gerechtshof Leeuwarden veroordeeld wegens overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet door zonder vergunning een stuk dijk af te graven. De dijkafgraving betrof een lengte van 25 meter en een hoogte van 2 meter, waarvoor verzoeker geen vergunning had, ondanks dat hij deze wel had aangevraagd en afgewezen kreeg. Het hof verwierp het verweer dat geen vergunning nodig was omdat de werkzaamheden dienden voor landbouwdoeleinden en dat de vergunning ten onrechte was geweigerd.
Verzoeker stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens een ontbrekende brief in het dossier, en het betoog dat de tenlastelegging na wijziging een ander feit betrof. Deze middelen werden verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het openbaar ministerie bevoegd was de tenlastelegging te wijzigen en dat verzoeker niet in zijn procesbelangen was geschaad.
Een belangrijk aandachtspunt was de overschrijding van de redelijke termijn in de appèlprocedure. De Hoge Raad stelde dat de overschrijding van ruim 11 maanden niet zonder gevolgen kon blijven en verleende een strafvermindering van 10% op de geldboete en hechtenis. Tevens werd bevestigd dat verzoeker zich in hoger beroep niet door een niet-advocaat mocht laten vertegenwoordigen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis, en beperkte deze tot f 1620 en 27 dagen hechtenis. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en vermindert de geldboete tot f 1620 en de hechtenis tot 27 dagen wegens overschrijding redelijke termijn.