Art. 6:38 BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 56 RvArt. 57 RvArt. 192 lid 1 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging arrest over onrechtmatig conservatoir beslag en schadevergoeding wegens rentederving
In deze zaak vorderen eisers schadevergoeding wegens onrechtmatig conservatoir beslag dat door Belin B.V. op hun onroerende zaak is gelegd. De beslaglegging belemmerde tijdige levering aan een derde koper, waardoor eisers renteverlies en andere schade claimen.
De rechtbank stelde vast dat Belin onrechtmatig handelde en kende een deel van de gevorderde schade toe, waaronder rente over een bepaalde periode, kosten van rechtsbijstand en verzekeringspremies. Het hof Arnhem vernietigde dit vonnis en beperkte de schadevergoeding tot een symbolisch bedrag, waarbij het onder meer oordeelde dat de leveringstermijn tussen partijen onvoldoende was vastgesteld en dat het beslag de levering binnen de latere termijn niet belemmerde.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of de koopovereenkomst op 15 april 1997 is gesloten en of daarin een leveringstermijn tussen 1 september en 31 december 1997 is overeengekomen. Het bewijsaanbod van eisers was voldoende gespecificeerd en had niet terzijde mogen worden gelegd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor nadere feitenvaststelling en beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor hernieuwd onderzoek.
Conclusie
C 01/091 HR
Mr. F.F. Langemeijer
Zitting 20 september 2002
Conclusie inzake:
[Eiser 1] en
[Eiseres 2]
tegen
Belin B.V.
In deze zaak gaat het om de vraag of de eigenaren van een onroerende zaak schade hebben geleden ten gevolge van een conservatoir beslag dat - naar achteraf is vastgesteld: ten onrechte - op die zaak is gelegd.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1):
1.1.1. Eisers tot cassatie, [eiser] c.s., hebben in de eerste maanden van 1997 hun winkel-woonhuis aan de [c-straat] te [woonplaats] te koop aangeboden voor een bedrag van f 1.300.000,-.
1.1.2. Op 11 april 1997 heeft verweerder in cassatie, Belin, een bod op de onroerende zaak gedaan van f 1.065.000,- k.k. [eiser] c.s. zijn met dat bod niet accoord gegaan.
1.1.3. Stellende dat kort na 11 april 1997 tussen partijen overeenstemming is bereikt over een koopprijs van f 1.100.000,-, althans dat vanwege het vergevorderde stadium waarin de onderhandelingen tussen partijen verkeerden, het aan [eiser] c.s. niet vrijstond de onroerende zaak aan derden te verkopen of daarover met derden in onderhandeling te treden, heeft Belin - na daartoe verkregen beslagverlof - op 1 mei 1997 conservatoir beslag laten leggen op de onroerende zaak.
1.1.4. Op 21 mei 1997 heeft Belin [eiser] c.s. gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem (rolnr. 97/971). Belin heeft primair een verklaring voor recht gevorderd, inhoudende dat tussen partijen een rechtsgeldige koopovereenkomst met betrekking tot deze onroerende zaak is overeengekomen, alsmede veroordeling van [eiser] c.s. om mee te werken aan de levering van de onroerende zaak aan Belin. Subsidiair heeft Belin gevorderd te bepalen dat [eiser] c.s. verplicht zijn de onderhandelingen met Belin voort te zetten op straffe van een dwangsom. Meer subsidiair heeft Belin in die procedure schadevergoeding gevorderd.
1.1.5. Bij vonnis van 18 december 1997 heeft de rechtbank al deze vorderingen van Belin afgewezen. Het vonnis is onherroepelijk geworden.
1.1.6. Op 20 januari 1998 heeft Belin het beslag op de onroerende zaak opgeheven.
1.1.7. [Eiser] c.s. hebben de onroerende zaak op enig moment verkocht aan [A] B.V. (hierna: [A]) De levering aan [A] heeft plaatsgevonden op 31 maart 1998.
1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 20 augustus 1998 hebben [eiser] c.s. Belin gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en een schadevergoeding ten bedrage van f 49.141,- gevorderd. Aan hun eis hebben zij ten grondslag gelegd dat Belin door het in zijn opdracht gelegde beslag onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en dat zij daardoor schade hebben geleden. Het gevorderde bedrag bestaat uit drie posten:
a. f 31.625,- gederfde rente over 6 maanden over een bedrag, gelijk aan de door [A] verschuldigde koopsom. [Eiser] c.s. hebben aangevoerd dat zij op 15 april 1997 met [A] overeenstemming hebben bereikt over de verkoop van de onroerende zaak voor een koopsom van f 1.150.000,-; levering zou plaatsvinden op een door [eiser] c.s. te bepalen datum tussen 1 september en 31 december 1997 of zoveel eerder of later als partijen nader zouden overeenkomen. De beslaglegging heeft tot gevolg gehad dat zij de onroerende zaak niet tijdig aan [A] hebben kunnen leveren. Noodgedwongen hebben zij nadien met [A] moeten overeenkomen dat de levering zou plaatsvinden tussen 28 februari en 31 maart 1998. In theorie hadden zij de onroerende zaak terstond na de opheffing van het beslag (op 20 januari 1998) aan [A] kunnen leveren, maar feitelijk konden zij dit eerst op 31 maart 1998; de tussenliggende tijd hebben zij gebruikt om de nog aanwezige winkelvoorraad te verkopen en om te zien naar vervangende woonruimte(2).
b. f 13.583,- voor kosten van rechtsbijstand in verband met dit geschil.
c. f 3.933,- voor verzekeringspremies die [eiser] c.s. hebben moeten doorbetalen.
1.3. Belin heeft tegen elk van deze schadeposten verweer gevoerd. Bij tussenvonnis van 20 mei 1999 heeft de rechtbank inlichtingen gevraagd. Bij eindvonnis van 5 augustus 1999 heeft de rechtbank de vordering van [eiser] c.s. toegewezen tot een bedrag van f 29.058,- in hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank stelde voorop dat Belin door het leggen van het beslag onrechtmatig jegens [eiser] c.s. heeft gehandeld. Met betrekking tot de schade overwoog de rechtbank dat [eiser] c.s. hebben gesteld dat aanvankelijk niet een exacte leveringsdatum was bepaald en met [A] slechts is gesproken over een levering tussen 1 september en 31 december 1997. De rechtbank ging daarom ervan uit dat (het beslag weggedacht) de levering aan [A] zou hebben plaatsgevonden omstreeks 31 december 1997. Over het tijdvak tot 31 december 1997 hebben [eiser] c.s. dus geen renteschade door het gemis van de koopsom geleden. De periode tussen 1 januari 1998 en 31 maart 1998 hebben [eiser] c.s. nodig gehad voor de uitverkoop van hun winkel, waarmee zij pas konden starten na het vonnis van 18 december 1997. Onder deze omstandigheden achtte de rechtbank het redelijk dat gederfde rente ter hoogte van de wettelijke rente (6%) over een koopprijs van f 1.150.000,- wordt vergoed over het tijdvak van 1 januari tot 31 maart 1998, ofwel een bedrag van f 17.250,-.
Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand bracht de rechtbank het bedrag van het geliquideerde procureurssalaris in de procedure 97/971 (f 1.775,-) in mindering op het gevorderde bedrag, zodat volgens de rechtbank f 11.808,- voor vergoeding in aanmerking kwam. De post verzekeringspremies werd om thans niet ter zake doende redenen door de rechtbank afgewezen.
1.4. Belin heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. [Eiser] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld, om vergoeding van de renteschade vanaf 1 november 1997 (een datum halverwege het tijdvak van 1 september tot 31 december 1997) tot 31 maart 1998 te kunnen krijgen. Het hof heeft bij arrest van 12 december 2000 op het principaal hoger beroep het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en de veroordeling teruggebracht tot een bedrag van f 1.000,- in hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente. Het hof heeft het incidenteel appel verworpen en [eiser] c.s. in de proceskosten in beide instanties veroordeeld.
1.5. Kort samengevat was het hof van oordeel dat de gestelde rentederving niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof ging uit van de op 17 februari 1998 ondertekende koopovereenkomst tussen [eiser] c.s. en [A], waarin wordt bepaald dat de levering van de onroerende zaak aan [A] zal plaatsvinden tussen 28 februari en 31 maart 1998. Het conservatoir beslag, dat op 20 januari 1998 was opgeheven, stond niet in de weg aan een levering tussen 28 februari en 31 maart 1998 (zie rov. 5.5 en 5.8). Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand was het hof van oordeel dat art. 6:96 lid 2 BWPro in verbinding met art. 56/57 Rv toewijzing verhindert van de kosten van rechtsbijstand in de procedure 97/971. Slechts de buitengerechtelijke kosten, door het hof begroot op f 1.000,-, komen volgens het hof voor vergoeding in aanmerking.
1.6. [Eiser] c.s. hebben - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Belin heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Degene die een beslag legt handelt op eigen risico. Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt(3). Het hof is van deze regel uitgegaan: zie rov. 5.8.
2.2. Het middel beperkt zich tot bezwaren tegen de afwijzing van de schadepost onder (a), de gestelde rentederving. In rov. 5.5 heeft het hof overwogen dat de grief van Belin tegen de vaststelling door de rechtbank van 15 april 1997 als datum van verkoop aan [A] niet relevant is voor de beoordeling. Blijkens zijn verdere motivering gaat het hof ervan uit dat, ook al zou op 15 april 1997 een koopovereenkomst met [A] voor f 1.150.000,- tot stand zijn gekomen, in ieder geval gegrond is de grief van Belin tegen de vaststelling dat volgens die koopovereenkomst levering aan [A] zou moeten plaatsvinden in het tijdvak van 1 september 1997 tot 31 december 1997. Tegenover de betwisting door Belin acht het hof de stelling van [eiser] c.s. ten aanzien van de levering [bedoeld is kennelijk: ten aanzien van hetgeen tussen [eiser] c.s. en [A] is overeengekomen omtrent de leveringsdatum] onvoldoende ondersteund. Ten overvloede heeft het hof hieraan nog toegevoegd dat evenmin vaststaat dat de koopovereenkomst op de datum 15 april 1997 is gesloten.
2.3. Onderdeel 2 heeft de verstgaande strekking en zal ik daarom als eerste bespreken. Subonderdeel 2.a bevat de klacht dat het hof miskent dat indien op 15 april 1997 een koopovereenkomst met [A] is gesloten zonder dat een leveringstermijn is afgesproken, beide partijen bij de overeenkomst aanspraak hebben op levering binnen een redelijke termijn. Subsidiair verbindt het subonderdeel hieraan een motiveringsklacht. Subonderdeel 2.b klaagt dat het hof bovendien miskent dat de datum van totstandkoming van een koopovereenkomst een bewijsvermoeden, althans een aanwijzing, kan opleveren ten aanzien van het tijdstip waarop de levering zal moeten plaatsvinden.
2.4. Het is op zich mogelijk een koopovereenkomst te sluiten waarin de datum van levering wordt opengelaten. Indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, kan de verbintenis terstond worden nagekomen en kan terstond nakoming worden gevorderd: zie art. 6:38 BWPro. De tijd voor de nakoming kan uitdrukkelijk worden afgesproken dan wel voortvloeien uit de gewoonte of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid(4).
2.5. De rechtsklacht van subonderdeel 2a mist feitelijke grondslag, omdat het hof niet - ook niet veronderstellenderwijs - is uitgegaan van een met [A] gesloten koopovereenkomst waarin geen termijn voor de levering is bepaald. Een belangrijke oorzaak van het meningsverschil is hierin gelegen, dat het op 17 februari 1998 ondertekende contract vermeldt dat partijen op 15 april 1997 een overeenkomst hebben gesloten en dat is overeengekomen dat de akte van levering zal worden gepasseerd op aangeven van de verkoper op enig moment tussen 28 februari 1998 en 31 maart 1998(5). In dit contract staat niet dat partijen in afwijking van een eerder afgesproken leveringstermijn op 17 februari 1998 nader zijn overeengekomen dat levering zal plaatsvinden tussen 28 februari en 31 maart 1998. Belin heeft de tekst van het contract dan ook gebruikt als argument voor haar subsidiaire verweer: uit de tekst blijkt volgens Belin niet dat een levering tussen 1 september en 31 december 1997 is afgesproken maar integendeel, dat een levering tussen 28 februari en 31 maart 1998 is afgesproken(6). Terzijde merk ik op dat de verwarring nog werd vergroot doordat de notariële akte d.d. 31 maart 1998 op blz. 1 vermeldt dat [eiser] c.s. en [A] in maart 1998 een mondelinge koopovereenkomst zijn aangegaan.
2.6. Het hof gaat in zijn primaire redenering ervan uit dat op 15 april 1997 de datum van levering is bepaald op hetzij het tijdvak tussen 1 september en 31 december 1997 (opvatting [eiser] c.s.), hetzij het tijdvak tussen 28 februari en 31 maart 1998 (opvatting Belin). Het hof overweegt dat, "gelet op de gemotiveerde betwisting van Belin", het standpunt van [eiser] c.s. onvoldoende wordt ondersteund. Kennelijk heeft het hof hiermee willen zeggen dat het beroep van [eiser] c.s. op de aldus schriftelijk vastgelegde koopovereenkomst niet spoort met hun stelling dat levering tussen 1 september en 31 december 1997 had moeten plaatsvinden. Die motivering kan de beslissing dragen. Om deze reden faalt ook de subsidiaire motiveringsklacht.
2.7. Subonderdeel 2b treft om dezelfde reden geen doel. Overigens ben ik niet ervan overtuigd dat een zó algemene regel bestaat als dit subonderdeel veronderstelt. De s.t. (punt 3.4) noemt geen vindplaats van zulk een regel, maar acht het "van algemene bekendheid dat kopers en verkopers in de regel wensen dat binnen afzienbare tijd wordt geleverd". Daar kan de cassatierechter niet veel mee doen.
2.8. Onderdeel 3 is gericht tegen de passage aan het slot van rov. 5.5, waar het hof het bewijsaanbod van [eiser] c.s. als onvoldoende gespecificeerd aanmerkt(7). In reactie op deze klacht stip ik aan dat het hof het bewijsaanbod niet heeft gepasseerd op de enkele grond dat [betrokkene 1] ten behoeve van de procedure 97/971 reeds als getuige is gehoord.
2.9. De gedingstukken laten m.i. geen andere gevolgtrekking toe dan dat [eiser] c.s. in eerste aanleg een voldoende gespecificeerd aanbod hebben gedaan tot bewijslevering door getuigen; de desbetreffende passages in de gedingstukken worden in het cassatiemiddel geciteerd. [Eiser] c.s. hebben hun bewijsaanbod in hoger beroep herhaald. Art. 192 lidPro 1 (oud) Rv bepaalt dat, indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, de rechter een getuigenverhoor beveelt zo vaak een der partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing der zaak kunnen leiden. Uit het bestreden arrest valt niet op te maken dat het hof de te bewijzen aangeboden feiten, waaronder de stelling dat op 15 april 1997 met [A] is overeengekomen dat levering zou plaatsvinden tussen 1 september en 31 december 1997, niet relevant zou hebben geacht voor de beslissing. In zoverre acht ik de klacht gegrond. Na vernietiging van het bestreden arrest zal de juistheid zowel van de stelling dat de koopovereenkomst op 15 april 1997 is gesloten als van de stelling dat de koopovereenkomst inhield dat levering zou plaatsvinden tussen 1 september en 31 december 1997 opnieuw moeten worden worden onderzocht.
2.10. Subonderdeel 1.a betoogt dat [eiser] c.s. in feitelijke instanties het gezag van gewijsde hebben ingeroepen van het tussen partijen gewezen vonnis van 18 december 1997 (rolnr. 97/971). Volgens het subonderdeel stond het het hof daarom niet vrij, te oordelen dat niet aannemelijk is dat [eiser] c.s. op of omstreeks 15 april 1997 de koopovereenkomst met [A] hebben gesloten.
2.11. Het is waar, dat [eiser] c.s. in hoger beroep het gezag van gewijsde van het vonnis van 18 december 1997 hebben ingeroepen (zie MvA/MvG incid. blz. 4). In genoemd vonnis heeft de rechtbank onder 1.4 melding gemaakt van een mededeling van makelaar [B] (de makelaar die voor [eiser] c.s. bemiddelde) aan Belin op 14 april 1997, inhoudende "dat gedaagden met betrekking tot de verkoop van hun onroerende zaak met een derde tot overeenstemming waren gekomen". Onder 1.5 was in genoemd vonnis vastgesteld: "De onroerende zaak is voor een prijs van f 1.150.000,- verkocht aan de onder 1.4 bedoelde derde, [A] genaamd." De klacht van subonderdeel 1.a miskent echter dat genoemd vonnis onder 1.4 slechts de vaststelling inhoudt dat op 14 april 1997 deze mededeling door de makelaar is gedaan. In het genoemde vonnis is niet vastgesteld dat deze mededeling inhoudelijk juist was. Dat de onroerende zaak op enig moment aan [A] is verkocht is nimmer in discussie geweest. Over de datum waarop die verkoop heeft plaatsgevonden bevat het vonnis van 18 december 1997 geen beslissing. De klacht faalt daarom.
2.12. Subonderdeel 1.b klaagt dat onbegrijpelijk is om welke reden het hof is voorbijgegaan aan de inhoud van de in het middel genoemde getuigenverklaringen hoewel [eiser] c.s. bij MvA/MvG inc. blz. 5 naar die verklaringen hadden verwezen. In subonderdeel 1.c klagen [eiser] c.s. dat onbegrijpelijk is om welke reden het hof voorbij is gegaan aan de door hen overgelegde brief van makelaar [B] d.d. 15 april 1997 met bijbehorende concept-koopakte. In subonderdeel 1.d klagen zij dat onbegrijpelijk is om welke reden het hof de verklaring van [A] d.d. 11 januari 1999 als "onvoldoende concreet" terzijde heeft geschoven. Bij het slagen van onderdeel 3 behoeven deze klachten geen bespreking, omdat na verwijzing de kwestie opnieuw wordt onderzocht. Slechts volledigheidshalve ga ik kort op op de klachten in.
2.13. Subonderdeel 1.b ziet op de datum waarop de koopovereenkomst is gesloten. Het hof heeft die datum in zijn primaire redenering niet relevant geacht: in zoverre missen [eiser] c.s. belang bij deze klacht. Daarnaast merk ik op dat [eiser] c.s. bij MvA/MvG inc. blz. 5 niet naar bepaalde (onderdelen van) getuigenverklaringen hebben verwezen, maar slechts in algemene termen hebben betoogd:
"De verklaring van [betrokkene 1] leverde - in samenhang - met de inhoud van andere stukken dan wel de verklaringen die in het kader van het voorlopig getuigenverhoor zijn afgelegd kennelijk voldoende bewijs op voor de overweging van de rechtbank".
Het is m.i. niet onbegrijpelijk dat het hof in deze passage geen aanleiding heeft gevonden om de getuigenverklaringen meer gedetailleerd te bespreken.
2.14. De subonderdelen 1.c en 1.d verwijzen respectievelijk naar een brief van makelaar [B] (MvA blz. 4 en bijbehorende productie) en een schriftelijke verklaring van [A] (prod. 2 bij CvR). Ik moet de steller van het middel nageven dat deze bescheiden, in onderlinge samenhang beschouwd, argumenten opleveren ter ondersteuning van de stelling van [eiser] c.s. dat op 15 april 1997 mondeling een koopovereenkomst met [A] is gesloten waarbij een levering tussen 1 september en 31 december 1997 is afgesproken. Echter, de brief van [B] d.d. 15 april 1997 verschaft geen opheldering over de in alinea 2.5 bedoelde onduidelijkheden in de redactie van de nadien, op 17 februari 1998, ondertekende koopovereenkomst. De verklaring van [A] d.d. 11 januari 1999 bevat weliswaar diens weergave van de gemaakte afspraken, maar gaat evenmin op deze kwestie in. De reden waarom het hof aan de brief van [B] en de verklaring van [A] voorbijgaat is klaarblijkelijk deze: dat de door het hof verlangde opheldering omtrent de bovengenoemde onduidelijkheden in die bescheiden niet werd gevonden.
2.15. Gegrondbevinding van onderdeel 3 leidt tot de slotsom dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 In dit geding is over de feitenvaststelling het nodige te doen geweest. Zie rov. 4 en rov. 5.2 - 5.5 van het bestreden arrest.
2 Inleidende dagvaarding onder 10; CvR onder 5.
3 HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366 m.nt. CJHB, met verdere verwijzingen aldaar.
4 Parl. Gesch. Boek 6, blz. 171 in verbinding met art. 6:248 lid 1 BWPro; HR 12 november 1999, NJ 2000, 67.
5 Zie art. 3 vanPro het contract (productie 1 bij CvR).
6 CvD punt 4; MvG blz. 3.
7 De s.t. namens [eiser] c.s. noemt diverse voorbeelden uit de jurisprudentie, waarin het passeren van een bewijsaanbod als onvoldoende gespecificeerd ongeoorloofd is geacht wegens een motiveringsgebrek. Ik noem hier alleen HR 4 april 1997, NJ 1997, 608 m.nt. PAS, waar in rov. 4.5 diverse maatstaven aan de orde komen.